Vragen over tarieven, opdrachten of projecten die ik voor je kan doen? Ik hoor het graag!

 

t. 06-14661504

Twitter

Facebook

LinkedIn

KvK: 69686602

 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

blogs

Tim Pardijs vertelt over zijn leven als schrijver, lezer, docent en huisman. 

Voortrazen

Tim Pardijs

Toen Whatsapp me in het installatieproces vroeg wat mij status was, schreef ik jaren geleden op: ‘Altijd bezig nieuwe status in te stellen.’ Ik dacht er niet lang over na, maar volgde mijn gevoel. Ik kon niet zeggen wat de stand van zaken was omdat ik het idee had dat die constant veranderde. Ik vond de uitdrukking als status soms pathetisch, maar liet hem toch staan, ook al kon ik hem niet beargumenteren. Tot deze zomer, toen ik op het spoor gezet door de cursus Inleiding in de filosofie aan de Open Universiteit, meer las over het existentialisme. De hoofdpersonen van Sartres Walging en Dostojevskis Herinneringen uit het ondergrondse worstelen net als ik met het idee dat een volwassen leven uit een stuk lijkt te bestaan, zij ervaren het leven eerder als losstaande fragmenten en proberen het al schrijvend heel te maken. Ik ook. In het boek Word existentialist, uitgegeven door de Internationale School voor Wijsbegeerte, legt de Britse filosoof Gary Cox uit dat het bewustzijn zich in de gedaante van tijd voortbeweegt, als een voortrazende vrachtwagen zonder remmen. Een persoon moet altijd kiezen wat hij is, omdat hij door die voortdurende beweging niet in staat is simpelweg te zijn wat hij is. Met andere (mijn) woorden: Altijd bezig nieuwe status in te stellen. 

Voeren

Tim Pardijs

Hij laat zich recht naar beneden vallen. Halverwege tussen dakgoot en de grond beweegt hij zijn vleugels, de neerwaartse lijn wordt afgebogen. Hij komt terecht op de ren rond het konijnenhok. Daar draait hij twee of drie keer met zijn kopje om vervolgens met een sprong op de rand van de voerbak van het konijn terecht te komen. Daar pakt hij een zaadje of een maiskorrel, hupt het hok uit en vliegt weer naar de dakgoot. Soms maakt hij een tussenstop in de appelboom, soms vliegt hij rechtstreeks naar de dakgoot. Vanaf de rand van de dakgoot kruipt hij in de ruimte tussen de dakgoot en de eerste dakpan. Als het stil is hoor ik er een hoog getjilp vandaan komen. Enkele seconden later zit hij weer op de dakgoot, kijkt even rond en vliegt weer naar beneden, landt op de ren, hupt naar het voerbakje. Het konijn doet niets uit op de vogels die van zijn eten gebruik maken, lijkt het niet erg te vinden dat hij de zorg die we hem bieden, moet delen met een nest vol jonge mussen.

Overtuigen (2)

Tim Pardijs

Ik zet de tv uit en stap de tuin in. Eindelijk is het koel. Rond elf uur, nog een klein beetje blauw aan de hemel, de lamp van de kamer werpt een bundel geel licht over het grasveld, het terras en de struiken. Ik sta op de stenen en hoor van onder de hedera in het midden van de tuin geritsel, een licht gescharrel dat soms even stopt en dan weer doorgaat. In plaats van met een schop de struiken in de stappen, zet ik zachtjes twee stappen dichterbij en blijf dan staan. Mijn ogen zoeken de bron van het geluid. Geritsel, links van me. Een langgerekte bol van zo’n veertig centimeter komt uit het groen. Poten zijn niet te zien, alleen dunne zwarte en bruine stekels op de rug, waardoor het lijkt alsof het zweeft over het grasveld. Het gaat geluidloos van het hedera-perk over het grasveld in de richting van de schutting achterin de tuin. Als ik een stap dichterbij zet, stopt het, en wordt de rug boller. Ik sta weer stil, en hij glijdt verder naar schutting, waar hij begint te graven in de dorre bladeren, op hetzelfde moment fladdert er iets zwarts langs mijn hoofd. Als ik het na wil kijken, is het weg. 

Lachen

Tim Pardijs

‘Je moet wel wat meer lachen’, zegt mijn dochter als ik een gedicht aan tafel opzeg. Ik wil de tekst uit mijn hoofd kennen voor een filmopname voor het Erfgoedfestival dus heb ik hem de afgelopen dagen veel hardop geoefend. Ze heeft gelijk, mijn dochter, ik moet meer lachen, maar als ik uit mijn hoofd voordraag, moet ik me goed concentreren en als ik me concentreer zakken mijn wenkbrauwen en keert mijn blik zich naar binnen, op zoek naar de volgende zin.
Die middag voor de camera op mijn favoriete plek aan de IJssel heb ik daarom toch maar mijn tekst in de hand. Ik draag de eerste woorden voor uit het hoofd en als ik twijfel, kijk ik op het papier. Zo nemen we zes versies op, terwijl om ons heen wandelaars en fietsers genieten van het uitzicht. Een vrouw in bloemetjesjurk drinkt iets uit een thermoskan op een bankje in de buurt.
‘Ik heb hem’, zegt de cameraman, ‘maar doe hem nog een keer zonder papier, kijken hoe dat gaat.’ Ik begin, weet de woorden niet meer, begin opnieuw en ik vertel het gedicht. Mijn gezicht, armen en handen doen ook mee, ik kijk alleen naar de lens. Na het laatste woord zie de mensen, de rivier, de zon weer. ‘Dat was de beste’, zegt de vrouw op het bankje. 

Verder gaan

Tim Pardijs

Vandaag schrijf ik mijn driehonderdvijfenzestigste stukje van tweehonderd woorden. Een jaar lang dagelijks schrijven. Ik begon ermee twee weken na mijn ontslag en negen maanden nadat ik stopte met drinken. Ik blader terug naar nummer een, geschreven op de eerste dag van de zomervakantie van 2017. Ik lees hoe ik onderweg naar de camping het aantal gestrande auto’s bijhoud, hoe ik achter het stuur obsessief de meters van onze auto controleer, hoe ik schrik van signalen van andere automobilisten. Ik tel vier auto’s die niet verder kunnen, het dubbele als ik mijn eigen ingebeelde ongelukken meereken. 
De dagen erna slaap ik ochtenden lang en schrijf ’s avonds over een lekke band, verloren speelgoed, een donkere grot, mijn hardloopblessure en twee keer over de alcoholvoorraad van de lokale supermarkt. Ik moet vooruit maar ik zie alleen de weg die ik heb afgelegd, en als ik al voor me kijk, zie ik obstakels en duisternis. Eén route staat voor me open, een richting die ik altijd insla als ik op een doodlopende weg zit. Zo ook een jaar geleden. Ik pakte papier en pen en ik schreef.
 

Terugkomen

Tim Pardijs

Een vierkant bakstenen gebouw rijst links van me op uit het bos, ernaast prikt een spits toelopende toren in de grijze lucht. Linksaf, leidt mijn reis voor het Erfgoedfestival me. Over smalle eenrichtingsstraatjes bereik ik het centrum en parkeer de auto (gratis) bij een park dat tussen de burcht en de kerk in ligt. Vandaar loop ik over de kinderkopjes naar het hotel bij het centrale plein van Wassenberg. Graaf Gerhard komt hier vandaan. Hij was de eerste bestuurder die Gelre aan zijn naam verbond. De bakstenen toren op de heuvel was zijn veilige thuis Bergfried en op steenworp afstand stichtte hij de St. Georg basiliek. In de toren van de burcht zijn nog de open haard te zien waar hij aan zat, een trap en een toilet, zo leer ik tijdens de rondwandeling. Die brengt me in een paar uur de hele stad rond. Het park, dat in terrassen afloopt van de burcht, via de parkeerplaats met mijn auto en een oude botanische tuin naar een vijver met fontein en bruggetje met hangsloten, is aangelegd door een bekende Wassenbergse rentenier, die woonde aan de Graf Gerhard Strasse. Zo veranderen verhalen koude bakstenen gebouwen in plekken die we kunnen bewaren.

Springen 

Tim Pardijs

De poldermens is glad geschoren, bruin verbrand, heeft een open blik en gespierde armen; niet van het schuiven met mest of hooi, dat doen robots voor hem, maar van het polsstokverspringen. Jaco de Groot is houder van het Nederlands record, maar ook boer, wereldreiziger en vandaag gids op het land rond zijn biologische boerderij in het Groene Hart. Hij leidt de deelnemers van Camping Onbestemd rond over zijn dalende grond, die nu barsten vertoont vanwege de droogte, steekt met een trekvlot over naar de buurman, wijst op de funderingen van schuren die een halve meter boven de grond zweven, praat met de buurvrouw die barsten in haar muur heeft en loopt door de weilanden terug over betonnen paden, aangelegd omdat zijn zware machines anders de grond in zakken. Bodemdaling is het onderwerp van deze camping, 1 centimeter per jaar. ’s Avonds vertelt hij met een lach op dat open gezicht over mogelijke oplossingen die hij in het buitenland heeft gezien. Vrienden en collega’s luisteren naar hem met pijpjes bier in de hand. Daarna moedigt hij ze aan samen met ambtenaren en bestuurders verder te praten. Zo bereikt hij zijn doel, de overkant van zichzelf, de andere mens. Dat is zijn polsstok. 

Het echte leven

Tim Pardijs

Ze draagt haar lange blonde haar in een slordige paardenstaart, heeft een witte koptelefoon op haar hoofd en tikt met de vingers van haar rechterhand razendsnel op de muisknop, terwijl ze met haar linkerhand letters op het toetsenbord intikt. Haar grote ogen blijven meestentijds gericht op het scherm, soms flitsen ze opzij, naar mij. ‘Zij is een pro’, zei een jongen van 9, en wees naar haar. ‘Mijn echte naam of mijn Minecraft-naam’, reageert ze nu op hem. Ze is een van de deelnemers aan RoMeincraft, een project van het Erfgoedfestival waarbij kinderen met archeologen en gameprofessionals online oude nederzettingen nabouwen. Zo’n tien kinderen rond de 10 jaar zitten in een kamer in Museum Kasteel Wijchen. Ze werken allemaal in dezelfde virtuele wereld. Op de schermen zijn gebouwen, bomen, lucht, wolken en torens in grote pixels weergegeven. Ik ben erbij om mooie zinnen op te halen. ‘Naar welke server ga jij? Wordt dat een wachttoren of een muur?’, overlegt de pro met de paardenstaart met haar medebouwers. Ogen flitsen naar mij. ‘Soms zie je iets niet, maar is het er wel, net als in het echte leven.’ Haar vingers tikken door. Onder haar nagels zit een randje zand.

Overtuigen

Tim Pardijs

Als ik in de tuin zit en lees of schrijf, als niemand praat of speelt of springt op de trampoline, hoor ik soms uit de grond bedekkende hedera in een perk naast het konijnenhok midden in de tuin, een geluid. Het klinkt als een persoon die kucht, alleen lichter, alsof het een lichaam heeft met een kleinere longinhoud. We wonen hier zeven jaar, dit jaar hoor ik het voor het eerst. Het begint me af te leiden.
Ik pak een schop, doe mijn slippers aan, stap de struiken in en duw bladeren opzij om erachter te komen waar het geluid vandaan komt. Op het moment dat ik opstond echter, stopte het geluid, waardoor ik niet goed weet waar ik moet zoeken in het zes vierkante meter grote perk. Ik ga weer aan tafel zitten en als ik een paar minuten stil zit, begint het gekuch opnieuw. Sneller sta ik op nu, met grote passen het groen in, maaiend met de schep, maar ik zie niets. Zitten. Stilte. Gekuch. Het geluid dringt tot me door, er is iets in de tuin, maar ik kan die aanwezigheid niet bevestigen met mijn ogen. Ik blijf ernaar zoeken. Ik heb meer nodig dan geluid alleen om me te overtuigen van het bestaan.

Bewegen

Tim Pardijs

Half in de schaduw, half in het zonlicht staat een witgroene auto voor twee rechthoekige gebouwen. Ze zijn in Nederland te vinden op stille, grijze industrieterreinen langs snelwegen. We razen er in hoog tempo aan voorbij, maar in Museum Henriëtte Polak staan we stil voor een doek van Arie Schippers. 
Links staat een gele container, twee blauwe vormen die kisten kunnen zijn en een groene bouwkeet, voor de helft overdekt met een grijze doek. Rechts, naast en achter de centrale auto, staan kratten, pallets en meer auto’s, in blauw, groen, oranje, wit. De centrale auto staat schuin aan de kant van de weg, de wielen iets gedraaid, alsof hij haastig geparkeerd is en zo weer verder moet. Schippers gebruikt in dit werk Gele muur een losse schildertoets. In een filmpje in een andere ruimte van het museum zien we hem op dezelfde manier werken met potlood: hij schetst een benzinestation, een vrouw in een café, jongeren op de fiets. Deze techniek, de rommelige vormen en de voor een industrieterrein ongebruikelijke veelkleurigheid zorgen voor een enorme dynamiek in het op het eerste gezicht saaie schilderij. En dat is ook wat Schippers nodig heeft als hij werkt: beweging. In het filmpje verklaart hij: ‘Anders ga ik mijn best doen.’ 
 

Geluk (2)

Tim Pardijs

Ik zoek naar een bankje aan de rand van het dorp met de geluksplekken om mijn broodjes op te eten. Terwijl ik loop, begin ik alvast aan mijn eerste broodje. Bij een bord einde bebouwde kom is een mooi uitzicht, maar geen plek om te zitten. Ik keer om en loop dwars door het dorp de andere kant op, langs brede bermen en pasgemaaide grasvelden die zich kalm uitstrekken tussen de straten. Zachtjes begint het te regenen. Ik krijg zin in koffie en kijk rond of er een plek is waar ik kan schuilen en wat kan bestellen. Snackpoint Pearsstal is echter dicht vanmiddag, evenals cafetaria ’t Heukske, dus ik loop door en kom dan zonder dat ik ernaar op zoek was de tweede geluksplek van Melick tegen. De Verzonken Tuin, gelegen naast een school, is een verlaagde speeltuin met veel gras onder hoge bomen, omringd door twee-onder-een-kapwoningen uit de jaren zeventig of tachtig. Ik eet mijn tweede broodje en kijk rond. De speeltuin is toegankelijk via stenen trapjes die her en der de diepte in lopen. Op twee plekken op de schuine rand is gras weggesleten. In het zand staan afdrukken van fietsbanden: zelfgemaakte crossheuvels. Kinderen komen uit verschillende straten richting de school lopen. De pauze is voorbij. Ik sta op en loop snel naar de bus. Bij de bushalte staat een leeg bierblik op de bank, het fietsenrek is vol. 

Muziek die je omhelst

Tim Pardijs

Hij buigt zijn hoofd, tilt met zijn handen de hengsels omhoog, steekt zijn hoofd door de opening, laat de hengsels zakken en heft zijn hoofd omhoog: hij heeft de muziek aangetrokken. Zijn vingers rusten op de zwart-witte toetsen, hij kijkt op naar de dirigent. Die heft zijn armen, houdt ze even stil, maakt drie kleine op- en neerwaartse bewegingen en op het moment dat hij groter begint te gebaren, trekt en duwt de accordeonist de twee delen van zijn instrument van elkaar af en naar elkaar toe. Het concert van het Nederlands Symfonisch Accordeon Orkest en het Akkordeon-Orchester Dinslaken Oberhausen is begonnen. Veel letterlijker zal thema Over Grenzen van het Erfgoedfestival niet worden.
Zijn voet beweegt op de maat, hij kijkt afwisselend van zijn bladmuziek naar de dirigent. Soms beweegt zijn bovenlichaam even heen en weer, zijn wang raakt af en toe het zwarte glanzende bovendeel van de accordeon. Hij is in het zwart gekleed, vanuit de ooghoek is er geen onderscheid tussen mens en instrument, de omhelzing verandert bijna constant, lucht steeds opnieuw in beweging gezet. Als een hand even geen toetsen in hoeft te drukken, veegt hij hem af aan zijn broek.
 

Geluk (1)

Tim Pardijs

Vlak nadat ik uit de bus ben gestapt, zie ik een tafeltje met zakjes kersen. Ik loop er voorbij, maar keer dan om, stop 2 euro in het blikje en pak een zakje kersen. Ik ben op zoek naar geluk vandaag. In de gemeente Roerdalen, onder de rook van Roermond, kozen inwoners vijfentwintig geluksplekken. Etend van de kersen, de pitten spuug ik in de berm, loop ik naar de eerste locatie: een begraafplaats in het dorp Melick op een verhoging langs de provinciale weg. ‘De plek zelf is een belangrijk onderdeel van de geluksbeleving. Gun jezelf de tijd om deze plekken te ontdekken!’, aldus de instructie op de website. 
Ik zit even op een bemost bankje onder de bomen, maar erger me aan het geluid van het verkeer. Ik loop naar een bankje in de andere hoek van de begraafplaats maar zie achter de kniehoge muur een tankstation liggen. Een vrachtwagen stopt er met piepende remmen. Terug op het eerste bankje krijg ik het koud. Bovendien heb ik trek. Ik loop naar het bordje met de geluksaanwijzingen (schrijf een brief, is er een) en lees verder dat ik bij de slager in het dorp een Gouden Gelukstip kan krijgen. Terwijl de medewerkster op zoek gaat naar het geluk, pak ik een stukje worst uit het schaaltje op de toonbank.
 

Roken

Tim Pardijs

We kijken recht van boven op een tafel. Onder in beeld zien we ook de hoek van een tapijt, ernaast een groen kleedje, delen van een houten vloer, links iets wat doet denken aan een kast, maar de meeste aandacht trekt het oppervlak van de tafel, dat iets meer dan de helft van het schilderij beslaat, een heldere kleur rood heeft en vol ligt met voorwerpen. Het schilderij van Peter Kooij was te zien in de overzichtsexpositie van de Kunstroute in Zutphen. Op het tafelblad liggen en staan een trommeltje, fotolijstje, beeldje van een dier, verrekijker, een kladblok met pen en rookwaar: drie pakjes sigaretten, aansteker, asbak met drie uitgedrukte peuken. Op het kladblok is een tabel getekend. Twee pakjes sigaretten en de aansteker liggen perfect diagonaal ten opzichte van het kladblok, dat loodrecht en midden op de tafel ligt. De uitgemaakte sigaretten in de asbak vallen het meest op. De verf is daar zo overdadig aangebracht dat ze de omvang hebben van een echte sigaret: enkele millimeters dik op het doek. De rest van de rookbenodigdheden, inclusief kladblok met schema, is eromheen uitgestald als om een nauwkeurig eerbetoon te brengen. De titel van het werk, met verf in de hoek van het werk geschreven, is haast teveel: Nature morte (geen stilleven) of Gestopt met roken.

Werken

Tim Pardijs

Zijn armen zitten vol tattoos. De man met zwart hemd en witte baseballpet praat in een portofoon. Tegen de muur van de Walburgiskerk in Zutphen, die ik vandaag bezoek voor de Erfgoedfestival-tentoonstelling Vier kerken, één verhaal, over de geschiedenis van hertogdom Gelre, staat een transportband schuin omhoog. Op de rand van het dak liggen onderdelen van een steiger. Uit een aanhangwagen pakt de man meer steigermateriaal en zet het tegen de muur. Het schelle geluid van metaal op steen klinkt over het pleintje. 
In de kerk moet de kassamedewerker zijn stem verheffen om me de toegangsprijs te laten horen, door de kerk dreunt het geluid van een drilboor. Het ruikt er naar kalk en vocht. Bij het spreekgestoelte zit een man op zijn knieën. Hij kijkt naar boven, terwijl zijn handen bezig zijn met snoeren en contactdozen. Op een ladder staat een tweede man. Tussen het metaal van de trap en het hout van de kansel ligt een deken. Ik loop over grafstenen in de vloer, kijk omhoog naar de gildewapens laars, hakmes, mengvat en krakeling in het plafond. De band tussen werk en kerk was vroeger hecht. Een alarm gaat af. Een man bedekt met een laag witte stof rent voorbij. In het gastenboek staat: de kerk is nooit oud. 
 

Bewaren

Tim Pardijs

De eerste woorden die ik ’s ochtends hoor, zijn die van de krantenbezorgster. Ze fietst bellend onze oprit op, duwt het nieuws door de deur, de brievenbus kleppert ervan, draait haar fiets om en rijdt pratend in haar koptelefoon de straat door. Ik luister naar haar stem, maar ik kan geen verhaal maken van de snippers zinnen die de slaapkamer bereiken. 
De eerste woorden die ik ’s ochtends lees, staand op de mat bij de voordeur, zijn de dikgedrukte woorden op de voorpagina. Aan de ontbijttafel lees ik zo de rest van de krant, en als de dag niet besproken moet worden, is er tijd voor een heel artikel, waarin de wereld in regelmatige kolommen voorgesteld wordt. Steeds vaker heb ik de krant uit voor het ontbijt klaar is. Na de afwas leg ik de krant in de leesmand in de woonkamer, waar we hem af en toe ’s avonds uit pakken, elkaar artikelen aanwijzen, het nieuws bespreken. Een of twee keer in de week gooi ik de kranten van de afgelopen dagen in de doos voor oud papier in de garage. Mijn dochters halen er soms kranten uit voor het knutselen of nagellakken. Een keer in de maand gooi ik die doos leeg in de container. Wat rest, zijn flarden verhalen, bewaard in een hoofd vol taal.
 

Voltooien

Tim Pardijs

Ik sta voor de keukenkast en zet met mijn linkerhand een schoolbeker op een plank op ooghoogte, echter die plank is zo vol dat hij de andere bekers opzij duwt waardoor een blauwe beker naar voren schuift en van de plank dreigt te vallen, hetgeen ik probeer te voorkomen door met mijn rechterhand de vallende beker tegen te houden, maar door mijn rechterarm op te tillen valt de stapel kranten die ik met mijn elleboog tegen mijn lichaam druk en die ik gelijk hierna naar de garage wilde brengen, op de grond en slingert de schooltas die aan twee vingers van die hand hangt omdat ik hem op weg naar de garage in de gangkast wilde opbergen, horizontaal over het aanrecht, daarmee vuile koffiekopjes omver werpend, wel staat nu de blauwe beker terug op zijn plek, maar de beker die ik met links wilde neerzetten komt nu weer naar voren waardoor ik met mijn beide armen horizontaal voor de plank moet gaan staan om ervoor te zorgen dat alle schuivende plastic bekers op de plank blijven, de schooltas valt nu wel op het aanrecht omdat ik hem door mijn laatste beweging niet langer vast kan houden, maar wel bewijs ik dat ik best in een beweging veel verschillende dingen kan voltooien.

Verklaren

Tim Pardijs

De persoon met het wapen in zijn handen is schuldig. Maar waar komt het wapen vandaan, wie heeft het daarvoor vastgehouden, wat wilde hij daarmee bereiken en waarom? En wie is dan de echte schuldige? Om die vraag draait het in het tweede seizoen van televisieserie 13 Reasons Why, waarin uitstekende acteurs een typisch high school-verhaal vertellen. Ging het eerste seizoen vooral om de vraag waarom Hannah zelfmoord pleegde, in het tweede seizoen houden haar ouders de school verantwoordelijk. Getuigenverklaringen in de rechtszaal zorgen dit keer (in het eerste seizoen waren dat de bandjes die Hannah opnam) voor de structuur van de raamvertelling. Ouders, vrienden en schoolmedewerkers vragen zich na het horen van deze verhalen regelmatig hardop af hoe goed ze Hannah eigenlijk kenden. Zo ook hoofdpersoon Clay, die eindelijk erkent hoeveel hij van Hannah hield, maar zich daardoor des te verantwoordelijker voelt voor haar dood. Dit is aangrijpend weergegeven in de aflevering waarin de denkbeeldige Hannah hem tijdens een nachtelijke tocht details voorhoudt van een verkrachting waar Clay niets mee te maken heeft. Het is de eerste keer in dit seizoen dat hij een vuurwapen in handen heeft, maar niet de laatste keer. De slotscène is de perfecte metafoor: de persoon met het wapen in zijn handen is schuldig.

Opruimen

Tim Pardijs

Bekers en borden van het ontbijt in de vaatwasser, schoenen in de garage, tijdschriften en kranten in de leesmand, sokken, vesten en broeken in de kasten. Telefoons, opladers, papieren, kussens, knutselspullen; opgepakt, aangenomen, gebruikt en gelijk neergelegd toen het niet meer nodig was, toen iets anders de aandacht opeiste. Thuis zijn betekent opruimen.
Mijn sleutels en mijn laptop leverde ik in bij een collega, toen mijn laatste werkdag erop zat. Het beeld van een kartonnen doos met schrijfblokken, een mok met pennen, fotolijstje en een stapel papieren komt bij me op nu ik denk aan ontslag, maar zo ging het niet eens, nu bijna een jaar geleden. Door de invoering van flexplekken zat er soms ineens iemand anders naar de plakbriefjes op mijn scherm te kijken, aantekeningen te maken in mijn notitieblok. Ik had dan ook geen eigen bureaula uit te ruimen. Ik liep die laatste werkdag met lege handen de deur uit. Ook mijn hoofd was leeg, opgeruimd. Thuis zijn betekent opruimen. Die middag voelde ik door de zolen van mijn schoenen de bolling van de stenen onder mijn voeten. 
 

Ontsnappen

Tim Pardijs

Alweer voor zes uur wakker. De zon staat vroeg in de slaapkamer, schijnt tussen de lamellen dwars door de witte gordijnen heen op het bed, en blijft de hele dag. Niet als iets wat je soms opmerkt, nee, vandaag is de warmte een enorm lichaam zonder vorm, dat daardoor tegelijk elke vorm aanneemt en zich overal tegen je aandrukt. Het drukkendst is hij op zolder, waar mijn werkkamer ook is. Ik zoek de koelste plek in huis, de tafel met uitzicht op de groene achtertuin, en schrijf. Naast mijn toetsenbord lopen mieren over de tafel. Ik druk ze plat en veeg ze van het tafelblad. Beneden op de grond ruimen mieren hun de dode soortgenoten op. 
Dan boodschappen doen. De autoruit werkt als een vergrootglas: de warmte is hier dubbel zo zwaar en drukt me in de autostoel. Ik ontsnap even in de supermarkt, waar ik bronwater en avondeten haal, en in de bouwmarkt, waar ik ben voor mierenlokdoosjes. Na het avondeten val ik in slaap in de tuinstoel. Ik word wakker als er wolken voor de zon schuiven. Het was de afgelopen dagen te warm om te rennen maar nu doe ik mijn sportschoenen aan en loop tien kilometer in iets meer dan een uur. In het bos ruik voor het eerst in dagen weer iets fris: bloemen, dennenbomen, water.