Vragen over tarieven, opdrachten of projecten die ik voor je kan doen? Ik hoor het graag!

 

t. 06-14661504

Twitter

Facebook

LinkedIn

KvK: 69686602

 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

blogs

Tim Pardijs vertelt over zijn leven als schrijver, lezer, docent en huisman. 

Bank in de tuin

Tim Pardijs

Het grijze onderstel maak ik met vier inbus-schroeven vast aan de zitting: een grote rechthoekige mand, open aan een kant, gemaakt van ijzeren buizen waarover verticaal mintgroene rubberen draden gespannen zijn. Op de platte ijzeren balken leg ik horizontaal een groot donkergrijs kussen, twee kleinere rechtop tegen de draden van de achterste leuning. Ik zet de bank in de zon, pak mijn boek en ga zitten. Na een paar minuten lezen, herschik ik de kussens en verander van positie.
Als ik van mijn boek opkijk, ziet de tuin er ineens anders uit. De heg staat als een muur om het gras en de perken met struiken heen, de witte daklijst van het tuinhuisje versiert de achterste wand, de vensters van de achterburen kijken vriendelijk naar beneden en ik voel de zon op mijn benen en mijn armen. Het is warm en het is zacht hier, alsof ik binnen ben, terwijl mijn plek in de tuin, de tuin zelf en de dingen in de tuin niet veranderd zijn. Wat nieuw is, is mijn houding. Ik lig met mijn rug schuin achterover tegen de kussens van de zijleuning, mijn benen op gelijke hoogte met mijn heupen languit voor me uitgestrekt.

De dingen zijn alleen (4)

Tim Pardijs

De dingen zijn alleen als wij elders zijn. Met onze gedachten, maar ook met ons lichaam. Maar we kunnen de dingen meenemen, laat Albert Camus mooi zien in De vreemdeling:

‘In het begin was ik snel klaar. Maar elke keer dat ik opnieuw begon duurde het wat langer. Want ik herinnerde me ieder meubelstuk en van elk daarvan ieder ding dat er zich op bevond en bij ieder ding elk detail ervan en bij de details zelf, ieder korstje, elke barst of beschadigde rand, de kleur ervan of de nerf. Tegelijk probeerde ik de draad niet te verliezen en een complete lijst te maken van mijn inventaris. En zo kon ik na een paar weken al uren doorbrengen met alleen maar op te sommen wat er in mijn kamer stond. Dus hoe langer ik nadacht, hoe meer vergeten of veronachtzaamde dingen ik opdiepte uit mijn geheugen. Ik heb toen begrepen dat iemand die maar één dag geleefd had zonder moeite honderd jaar in een gevangenis zou kunnen leven.’ (Uit: De vreemdeling, Albert Camus (Amsterdam 2013), p.90, 91)

Bungelen

Tim Pardijs

‘Mag ik je straks mijn nieuwe plek laten zien?’, vraagt ze aan tafel. Na het eten lopen we naar het park aan het begin van de wijk, waar ze op het voetbalveld in een paar bewegingen bovenop een metalen doel klimt. Ik volg haar. Dat gaat niet makkelijk, vooral bovenop de kooi drukken de ijzeren stangen hard in mijn knieën en dijbenen, maar als ik zit is het best prettig. De schuin achterover lopende helling van het dak van het doel heeft precies de goede hoek zodat het lichaamsgewicht evenwichtig verdeeld wordt over de drukpunten. Met de lat in onze knieholtes, de benen naar beneden bungelend (met een lichaam van bijkans twee meter kan ik mijn benen nooit meer ergens laten bungelen), kijken we rond. De lichte gevels van de vinex-huizen omringen de groene ruimte. Veel ramen staan open. Twee jongens voetballen op het veld. Mensen laten hun hond uit, hun commando’s klinken over het veld. Kinderen ratelen op stepjes over fietspaden. Auto’s draaien van de ring over de rotonde de wijk in, ze golven voor de huizen langs over de drempels, trekken daarna op. Een warme wind beweegt haar haar, streelt onze armen. Ze zegt: ‘Hier word ik rustig.’

De dingen zijn alleen (3)

Tim Pardijs

Omdat kamer en straat nieuwe functies hebben, zijn de dingen aan hun lot overgelaten, maar dat is ook onze eigen schuld, stelt Valeria Luiselli. Aanhakend bij de gedachte dat de moderniteit begon met het wegvallen van de grenzen tussen privé en publiek gebied, stelt de in New York wonende Mexicaanse in haar essaybundel Valse papieren dat we daardoor niet meer weten wanneer we buiten en wanneer we binnen zijn. ‘Aangezien we op straat niet langer eenzaam kunnen rondslenteren, en we in ons eigen huis niet met onszelf bezig kunnen zijn zonder dat een van de computervensters onze tekortkomende aandacht trekt of zonder dat de buren zich gaan ophouden in het achterkamertje van cerebellum (…) kunnen we alleen nog kleine en vluchtige intimiteiten oprichten in vreemde ruimtes.’ Het verklaart de aantrekkingskracht die hotelkamers en kloostercellen op mij hebben. Alleen als we geen wifi hebben of als de batterij leeg is zien we soms ineens iets in een kamer zoals we het niet eerder zagen. Albert Camus laat het in De vreemdeling zijn hoofdpersoon Mersault zo mooi eenvoudig beleven: ‘Ik heb de ramen gesloten en toen ik terugliep zag ik in de spiegel een stuk van de tafel waar mijn spirituslamp op stond, met stukken brood ernaast.’

Tuinstoel op versnellingspook

Tim Pardijs

Ik klap de achterbank van de auto naar beneden en leg landbouwplastic in de achterbak. Uit de tuin pak ik het konijnenhok en til het naar de auto. Acht weken geleden overleed ons konijn. Op een ochtend lag hij stijf in een hoek van zijn hok. De vliegen die al weken om zijn achterste zwermden, we zouden snel naar de dierenarts, werden niet meer gestoord. Uit de garage pak ik ook de hekken van zijn ren en leg het allemaal in de auto. 
Achter de containers vandaan pak ik de kapotte tuinstoel. Toen een van onze gasten er deze zomer doorheen zakte, schrok ik, lachte hardop en vroeg daarna pas hoe het met hem ging. Ik wist daarna niet hoe snel ik een andere stoel voor hem moest pakken. Als ik de deur bij de bijrijdersstoel sluit, duwt hij de tuinstoel verder naar binnen. Achter het stuur blijkt dat ik niet kan rijden omdat de leuning van de tuinstoel bovenop de pook ligt. Ik wrik de tuinstoel wat heen en weer tot ik kan schakelen van een naar twee naar drie. Bij de stortplaats zie ik op de weegbrug dat de auto 1170 kilo weegt. Bij vertrek nog maar 1140. Ik betaal 4 euro en 10 cent maar voel een lichtheid die meer waard is.
 

Knuffelen met Ida Gerhardt

Tim Pardijs

‘Wie zich voor de meetkunde afsluit, hoort echt niet onder mijn dak’, citeert biograaf Mieke Koenen Ida Gerhardt tijdens haar lezing over de band van de dichteres met beeldhouwkunst, uitgesproken voor de officiële onthulling van Gerhardts beeld in Zutphen. Streng kon de schrijfster zijn, en kieskeurig op haar gezelschap. Uitgever Ad ten Bosch, lang bevriend met Gerhardt, haalt herinneringen op aan de blikken die ze hem in gezelschap toewierp als ze de mensen om zich heen moe was. Dan was het tijd om te gaan. 
Als de sprekers klaar zijn, verplaatst het gezelschap zich naar het beeld van Gerhardt op de IJsselkade. Zo’n honderd mensen staan in een kring om het in doek gehulde beeld heen. De groep laat rondom een ruimte van enkele meters vrij. De burgemeester en beeldhouwster Herma Schellingerhout doorbreken de cirkel. Samen halen ze het bruine doek weg. Na het applaus vraagt een fotograaf de twee vrouwen te poseren bij het beeld. Met een brede lach gaat Herma achter het beeld staan en legt haar kin bovenop het hoofd van Ida. De kring breekt als de burgemeester zegt dat de mensen dichterbij mogen komen. Ze raken het donkere brons aan, leggen een arm om Gerhardts schouder, een hand op haar arm, gaan lachend met haar op de foto.

Water vegen

Tim Pardijs

Het ruikt anders in de garage. Op weg naar de doos voor oud papier blijf ik staan en snuif de lucht op. Nu hoor ik ook getik, het komt van boven de stellingkast die tegen de linkermuur staat. Als ik omhoog kijk naar de donkere vlekken die er al langer zitten, zie ik iets glinsterends naar beneden vallen. Het landt op het opblaasbare zwembad dat ik opgevouwen bovenop de stellingkast heb neergelegd. Ik zucht. Ik hoef nog maar een hoofdstuk te lezen om mijn planning te halen. Ik doe mijn laarzen aan, pak huishoudtrap en bezem en loop naar buiten. De bezem gooi ik op het dak, de ladder zet ik tegen de muur. Via de trap en de schutting klim ik op het platte dak van de garage. Door een laagje water loop ik naar de hoek van het dak en maak de opening naar de regenpijp vrij van vuil. Het water begint gelijk te stromen. Met de bezem veeg ik het water op het dak naar de opening van de regenpijp. Wat niet gelijk wegstroomt, komt achter me langs tussen mijn benen door weer voor de bezem terecht. Ik blijf de bezem tien minuten lang heen en weer halen, water vegend. Daarna ruim ik alles op lees ik het laatste hoofdstuk uit, voor morgen is er meer regen voorspeld. 

De dingen zijn alleen (2)

Tim Pardijs

Een tafel, een stoel, een schilderij op straat, stelde ik me voor nadat ik las dat de modernisten in de architectuur de kamer en de straat afschaften, muren minder belangrijk maakten. Het maakt het ding los van de ruimte, aan zichzelf overgelaten zonder een kamer met andere voorwerpen om zich heen, zonder een verbindend verhaal. 
Hoe dat eruit ziet, toont Claes Oldenburg door een lepel te maken van zo’n formaat dat hij een vijver overspant, een zaag in dezelfde grootte steekt uit de grond, de snede een brede gleuf in de aarde, een reusachtige wasknijper omknelt een grasveld alsof het een omhooggetrokken doek is en in Eindhoven zijn schots en scheef enorme zwevende kegels rond een bal te zien. De eerste keer dat ik daar langs kwam, zag ik niet gelijk wat het was. Vanachter het stuur van de auto keek ik een paar keer opnieuw en pas nadat ik een paar honderd meter verder was gereden, kon ik zien wat de gele vormen voorstelden. Dingen die we normaal voor lief nemen, bekijken we dankzij Oldenburg opnieuw, onderzoekend weer eens. Jammer eigenlijk, die glimlach als we begrijpen waar we naar kijken. 
 

De dingen zijn alleen (1)

Tim Pardijs

Onderscheid tussen kamers in huizen verdwijnt, muren zijn niet meer dan geledingen van ruimte, die niet afgesloten wordt maar doorloopt. Van de straat het huis in, en van het huis zonder overgang of grens de straat op, ruimte enkel gevuld door licht, lucht en zicht. De tijd van de belangrijke verbanden en grote verhalen was voorbij, aldus de modernisten. ‘De straat en de kamer werden verworpen’, schrijft Aart Oxenaar over modernisten in de architectuur, in Manieren van kijken.
Wat betekent dat voor de dingen in de huizen? Ze zijn buiten. Een schilderij, een tafel, een stoel, ze staan op straat. De auto, straatlantaarn en boom staan in huis. Echter straat en huis zijn verworpen, evenals muren en kamers, wat betekent dat de voorwerpen los in de ruimte staan, ze zijn alleen. Echter, dingen zijn nooit alleen. Een lamp is er om onder te lezen op de bank of om als zon te fungeren in een kinderspel, een stoel is aan de ontbijttafel je eerste grond van de dag of je plek in een feestelijke kring. Plekken die niet meer bestaan in het modernisme, de dingen aan hun lot overgelaten. 

Volg mijn nieuwe bundel

Tim Pardijs

‘Een stillevenschilder moet de gevoelens weergeven die de voorwerpen in hem oproepen. De gevoelens van het geheel, onderlinge verbanden van de voorwerpen, het specifieke karakter van ieder voorwerp – dat verandert in relatie met andere voorwerpen – zijn onderling  met elkaar verstrengeld als een touw of een slang.’ Zo zei de schilder Henri Matisse, volgens kunsthistoricus Alfred Barr, lees ik in mijn studieboek Manieren van kijken
Matisse wijst er hier op dat niet alleen de voorwerpen zelf verhalen vertellen, zoals de eettafel door mijn overleden schoonvader geschuurd en geschilderd, de schemerlamp die de zon is in de fantasiewereld van mijn dochter, maar dat de dingen ook verbanden met elkaar aangaan. Dat wordt zichtbaar op het moment dat een stoel niet meer bij de eettafel staat, maar in een kring in de woonkamer of als de schemerlamp ineens een andere plek krijgt in de woonkamer. Het gaat er dus niet alleen om ‘het specifieke karakter van ieder voorwerp’ te beschrijven, maar ook hun relatie onderling. Dit is de opdracht die de schilder Matisse mij als schrijver voor mijn nieuwe bundel geeft, voor mij gaat motto ‘ut pictura poesis’ (poëzie is als schilderkunst) nog altijd op. Ik doe hier verslag. 

Schemerlamp

Tim Pardijs

De boekenkast, gezien vanaf mijn vaste plek in de driezitsbank, ziet er anders uit. Ik kijk er al een paar dagen naar. En dat niet alleen, ook het ladenkastje dat tussen de boekenkast en de bank in staat, de globe die daarbovenop staat en de witte muur erachter zijn vreemd. Ze zien er leeg uit. 
Mijn dochter speelt in de andere hoek van de kamer en vraagt hoe ze de schemerlamp aan kan zetten, ze creëert haar eigen wereld met speelgoed en wil het ook dag en nacht laten zijn. Die schemerlamp: zes zwarte kapjes trapsgewijs om een standaard heen gemonteerd, ongeveer anderhalve meter hoog, met een dimmer in het snoer dat over de grond slingert, dat is wat er ontbreekt aan de boekenkast, bank, ladenkast, de globe en de muur. Eerst stond de lamp ertussen, iemand heeft hem in de andere hoek van de kamer gezet. Het was niet zo dat ik de lamp miste. Het was eerder alsof de voorwerpen die eromheen stonden veranderden, een verandering die ik zag in de achtergebleven dingen en pas als afwezigheid kon verklaren door een aanwezigheid elders. 
 

Reizen

Tim Pardijs

Terug van vakantie. ‘Wat doet het ertoe hoe groot het heelal is, als mijn kamer voor mij al zo belangwekkend is’, schrijft Maarten Biesheuvel in zijn Reis door mijn kamer. Op vijfenzestig pagina’s doet hij verslag van een tocht door een ruimte van drie bij vier meter. 
De Franse schrijver Georges Perec, die een baksteen van een roman schreef over een appartementencomplex en een dun ‘notitie’boek waarin hij een paar dagen een Parijs kruispunt observeert, maakte al eerder ‘Aantekeningen betreffende de voorwerpen die op mijn werktafel liggen’. Ze zijn opgenomen in zijn privé-domeinuitgave Ik ben geboren. Perec licht daarin toe: ‘Zo zal een geschiedenis van mijn smaak (de duurzaamheid, de ontwikkeling en de fases daarvan) in dit project op de achtergrond meespelen. Juister gezegd, het zal andermaal een manier zijn om mijn ruimte af te bakenen, een wat zijdelingse benadering van mijn alledaagse bezigheden, een aanknopingspunt om over mijn werk, mijn geschiedenis en mijn beslommeringen te praten, een poging  om iets te grijpen van wat tot mijn ervaring behoort, niet op het niveau van verre echo’s en afstandelijke reflecties, maar in het hart van het ontstaan ervan.’ 
Schrijven om een eigen plek te creëren, om te proberen vast te pakken wat dat eigenlijk voor een wereld is, die dagelijks aan ons verschijnt, daar ga ik mee verder na de reizen van deze zomer. 
 

Pret

Tim Pardijs

Mijn linkerhand glijdt mijn broekzak in en voelt geen ringetjes en stukjes metaal met kartelrandjes, alleen stof. Opnieuw steek ik mijn hand in mijn broekzak, tegelijkertijd voel ik met mijn rechterhand in de andere zak, waar hij alleen een telefoon tegenkomt, maar de linkerhand blijft alleen tasten over textiel, hoe vaak ik mijn hand ook opnieuw in mijn zak steek. Een achtbaan, daar moet het gebeurd zijn. Ik bevoel nog eens alle zakken, controleer de vakjes van de rugzak, alle andere attracties, wc’s en restaurants waar we vandaag zijn geweest in mijn hoofd.
Dan het vragen. Pretparkmedewerkers, bezoekersservice, hotelbaliemedewerkerster, mobiliteitsservice, verzekeringsman, sleepdiensttelefooncentrum en tenslotte de man in oranje overall die met een blaasbalgje en een bochtige ijzerdraad mijn auto openmaakt. Iedere keer hetzelfde verhaal, dezelfde vragen, dezelfde weg af te leggen naar het antwoord op die ene vraag. Alvast een alternatief reisplan maken, nog even tv kijken op de hotelkamer, als de telefoon gaat: In een 276 hectare groot gebied zijn tussen 25.000 bezoekers die heen en weer lopen tussen 36 attracties mijn sleutels gevonden.

Voortrazen

Tim Pardijs

Toen Whatsapp me in het installatieproces vroeg wat mij status was, schreef ik jaren geleden op: ‘Altijd bezig nieuwe status in te stellen.’ Ik dacht er niet lang over na, maar volgde mijn gevoel. Ik kon niet zeggen wat de stand van zaken was omdat ik het idee had dat die constant veranderde. Ik vond de uitdrukking als status soms pathetisch, maar liet hem toch staan, ook al kon ik hem niet beargumenteren. Tot deze zomer, toen ik op het spoor gezet door de cursus Inleiding in de filosofie aan de Open Universiteit, meer las over het existentialisme. De hoofdpersonen van Sartres Walging en Dostojevskis Herinneringen uit het ondergrondse worstelen net als ik met het idee dat een volwassen leven uit een stuk lijkt te bestaan, zij ervaren het leven eerder als losstaande fragmenten en proberen het al schrijvend heel te maken. Ik ook. In het boek Word existentialist, uitgegeven door de Internationale School voor Wijsbegeerte, legt de Britse filosoof Gary Cox uit dat het bewustzijn zich in de gedaante van tijd voortbeweegt, als een voortrazende vrachtwagen zonder remmen. Een persoon moet altijd kiezen wat hij is, omdat hij door die voortdurende beweging niet in staat is simpelweg te zijn wat hij is. Met andere (mijn) woorden: Altijd bezig nieuwe status in te stellen. 

Voeren

Tim Pardijs

Hij laat zich recht naar beneden vallen. Halverwege tussen dakgoot en de grond beweegt hij zijn vleugels, de neerwaartse lijn wordt afgebogen. Hij komt terecht op de ren rond het konijnenhok. Daar draait hij twee of drie keer met zijn kopje om vervolgens met een sprong op de rand van de voerbak van het konijn terecht te komen. Daar pakt hij een zaadje of een maiskorrel, hupt het hok uit en vliegt weer naar de dakgoot. Soms maakt hij een tussenstop in de appelboom, soms vliegt hij rechtstreeks naar de dakgoot. Vanaf de rand van de dakgoot kruipt hij in de ruimte tussen de dakgoot en de eerste dakpan. Als het stil is hoor ik er een hoog getjilp vandaan komen. Enkele seconden later zit hij weer op de dakgoot, kijkt even rond en vliegt weer naar beneden, landt op de ren, hupt naar het voerbakje. Het konijn doet niets uit op de vogels die van zijn eten gebruik maken, lijkt het niet erg te vinden dat hij de zorg die we hem bieden, moet delen met een nest vol jonge mussen.

Overtuigen (2)

Tim Pardijs

Ik zet de tv uit en stap de tuin in. Eindelijk is het koel. Rond elf uur, nog een klein beetje blauw aan de hemel, de lamp van de kamer werpt een bundel geel licht over het grasveld, het terras en de struiken. Ik sta op de stenen en hoor van onder de hedera in het midden van de tuin geritsel, een licht gescharrel dat soms even stopt en dan weer doorgaat. In plaats van met een schop de struiken in de stappen, zet ik zachtjes twee stappen dichterbij en blijf dan staan. Mijn ogen zoeken de bron van het geluid. Geritsel, links van me. Een langgerekte bol van zo’n veertig centimeter komt uit het groen. Poten zijn niet te zien, alleen dunne zwarte en bruine stekels op de rug, waardoor het lijkt alsof het zweeft over het grasveld. Het gaat geluidloos van het hedera-perk over het grasveld in de richting van de schutting achterin de tuin. Als ik een stap dichterbij zet, stopt het, en wordt de rug boller. Ik sta weer stil, en hij glijdt verder naar schutting, waar hij begint te graven in de dorre bladeren, op hetzelfde moment fladdert er iets zwarts langs mijn hoofd. Als ik het na wil kijken, is het weg. 

Lachen

Tim Pardijs

‘Je moet wel wat meer lachen’, zegt mijn dochter als ik een gedicht aan tafel opzeg. Ik wil de tekst uit mijn hoofd kennen voor een filmopname voor het Erfgoedfestival dus heb ik hem de afgelopen dagen veel hardop geoefend. Ze heeft gelijk, mijn dochter, ik moet meer lachen, maar als ik uit mijn hoofd voordraag, moet ik me goed concentreren en als ik me concentreer zakken mijn wenkbrauwen en keert mijn blik zich naar binnen, op zoek naar de volgende zin.
Die middag voor de camera op mijn favoriete plek aan de IJssel heb ik daarom toch maar mijn tekst in de hand. Ik draag de eerste woorden voor uit het hoofd en als ik twijfel, kijk ik op het papier. Zo nemen we zes versies op, terwijl om ons heen wandelaars en fietsers genieten van het uitzicht. Een vrouw in bloemetjesjurk drinkt iets uit een thermoskan op een bankje in de buurt.
‘Ik heb hem’, zegt de cameraman, ‘maar doe hem nog een keer zonder papier, kijken hoe dat gaat.’ Ik begin, weet de woorden niet meer, begin opnieuw en ik vertel het gedicht. Mijn gezicht, armen en handen doen ook mee, ik kijk alleen naar de lens. Na het laatste woord zie de mensen, de rivier, de zon weer. ‘Dat was de beste’, zegt de vrouw op het bankje. 

Verder gaan

Tim Pardijs

Vandaag schrijf ik mijn driehonderdvijfenzestigste stukje van tweehonderd woorden. Een jaar lang dagelijks schrijven. Ik begon ermee twee weken na mijn ontslag en negen maanden nadat ik stopte met drinken. Ik blader terug naar nummer een, geschreven op de eerste dag van de zomervakantie van 2017. Ik lees hoe ik onderweg naar de camping het aantal gestrande auto’s bijhoud, hoe ik achter het stuur obsessief de meters van onze auto controleer, hoe ik schrik van signalen van andere automobilisten. Ik tel vier auto’s die niet verder kunnen, het dubbele als ik mijn eigen ingebeelde ongelukken meereken. 
De dagen erna slaap ik ochtenden lang en schrijf ’s avonds over een lekke band, verloren speelgoed, een donkere grot, mijn hardloopblessure en twee keer over de alcoholvoorraad van de lokale supermarkt. Ik moet vooruit maar ik zie alleen de weg die ik heb afgelegd, en als ik al voor me kijk, zie ik obstakels en duisternis. Eén route staat voor me open, een richting die ik altijd insla als ik op een doodlopende weg zit. Zo ook een jaar geleden. Ik pakte papier en pen en ik schreef.
 

Terugkomen

Tim Pardijs

Een vierkant bakstenen gebouw rijst links van me op uit het bos, ernaast prikt een spits toelopende toren in de grijze lucht. Linksaf, leidt mijn reis voor het Erfgoedfestival me. Over smalle eenrichtingsstraatjes bereik ik het centrum en parkeer de auto (gratis) bij een park dat tussen de burcht en de kerk in ligt. Vandaar loop ik over de kinderkopjes naar het hotel bij het centrale plein van Wassenberg. Graaf Gerhard komt hier vandaan. Hij was de eerste bestuurder die Gelre aan zijn naam verbond. De bakstenen toren op de heuvel was zijn veilige thuis Bergfried en op steenworp afstand stichtte hij de St. Georg basiliek. In de toren van de burcht zijn nog de open haard te zien waar hij aan zat, een trap en een toilet, zo leer ik tijdens de rondwandeling. Die brengt me in een paar uur de hele stad rond. Het park, dat in terrassen afloopt van de burcht, via de parkeerplaats met mijn auto en een oude botanische tuin naar een vijver met fontein en bruggetje met hangsloten, is aangelegd door een bekende Wassenbergse rentenier, die woonde aan de Graf Gerhard Strasse. Zo veranderen verhalen koude bakstenen gebouwen in plekken die we kunnen bewaren.

Springen 

Tim Pardijs

De poldermens is glad geschoren, bruin verbrand, heeft een open blik en gespierde armen; niet van het schuiven met mest of hooi, dat doen robots voor hem, maar van het polsstokverspringen. Jaco de Groot is houder van het Nederlands record, maar ook boer, wereldreiziger en vandaag gids op het land rond zijn biologische boerderij in het Groene Hart. Hij leidt de deelnemers van Camping Onbestemd rond over zijn dalende grond, die nu barsten vertoont vanwege de droogte, steekt met een trekvlot over naar de buurman, wijst op de funderingen van schuren die een halve meter boven de grond zweven, praat met de buurvrouw die barsten in haar muur heeft en loopt door de weilanden terug over betonnen paden, aangelegd omdat zijn zware machines anders de grond in zakken. Bodemdaling is het onderwerp van deze camping, 1 centimeter per jaar. ’s Avonds vertelt hij met een lach op dat open gezicht over mogelijke oplossingen die hij in het buitenland heeft gezien. Vrienden en collega’s luisteren naar hem met pijpjes bier in de hand. Daarna moedigt hij ze aan samen met ambtenaren en bestuurders verder te praten. Zo bereikt hij zijn doel, de overkant van zichzelf, de andere mens. Dat is zijn polsstok.