Vragen over tarieven, opdrachten of projecten die ik voor je kan doen? Ik hoor het graag!

 

t. 06-14661504

Twitter

Facebook

LinkedIn

KvK: 69686602

 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

blogs

Tim Pardijs vertelt over zijn leven als schrijver, lezer, docent en huisman. 

Muren (7)

Tim Pardijs

Ik zet water op voor de thee en dek de tafel. Als ik ga zitten, kraakt de trap. Ik luister naar de zwaarte van de afdalende voetstappen en probeer in te schatten hoe groot de mus vanochtend is. Moeilijk te bepalen. Aan de ontbijttafel laat hij voor het eerst van zich horen, naast mij, met zachte stem. Ik negeer hem en lees de krant. Maar dan wordt de mus luider. Ik leg de krant neer en kijk naar hem. Zijn zwarte ogen schieten heen en weer, zijn vleugels bewegen langs zijn lichaam. De veren kriebelen op mijn arm, ik veeg ze van me af. Ik zeg hem kalm dat hij hier geen plek heeft, maar met elk woord dat ik zeg groeit de mus. En hoe harder ik praat, hoe wilder hij met zijn vleugels slaat. De mus stoot een kop thee om, zijn donzige borst hangt over de rand van de tafel. Als ik opsta om een doekje te pakken, gaat hij nog wilder tekeer. Nagels krassen over tegels, een bord valt op de grond, losse veren dwarrelen door de keuken. Ik hef mijn armen om zijn poten af te weren en loop ik naar mijn werkkamer op zolder. Beneden raast hij door. Als ik een half uur later beneden kom, is de mus verdwenen. Op de grond liggen bruine veertjes. Wie er gewonnen heeft maakt me niet uit, ik ben alleen maar blij dat het over is. Ik controleer mijn huid op krassen. Ik zie niets, maar toch voel ik dat zijn nagels me geraakt hebben.

Fietssturen

Tim Pardijs

Fietsend naar de schilderles van mijn dochter, die vond dat ze op school te weinig creatieve dingen deed en nu wekelijks in een atelier tekent en schildert, vraag ik me af waarom ik eigenlijk schrijf. Het antwoord weet ik allang, maar toch overvalt de vraag me regelmatig. Wat zegt dat over het antwoord? Ik wil mijn stem laten horen, en in de poëzie vond ik daar een plek voor. Ik was stadsdichter en vinex-dichter in de tijd dat ik ook voor de krant werkte. En nu ik geen journalist meer ben, zoek ik nog steeds naar manieren om mijn stem te laten horen. Ik oefen mezelf in proza door dagelijks tweehonderd woorden te schrijven, en publiceer hier een selectie van die stukken. De afgelopen weken vertelde ik de allegorie van de mus. Dat voelde belangrijker dan de bedachte bundel over de dingen in huis. Tot ik vanmiddag Hans Andreus las: ‘Het morgenlicht houdt zich nu bezig met de dingen / de pasgewassen trams de rails het draad erboven / de fietssturen de ramen en de raamkozijnen / de dingen kunnen in het morgenlicht geloven / het water van een gracht wordt zonder kleren aan / zo heilig als de heilige sebastiaan.’ Soms heb ik even wat morgenlicht nodig om in dingen te geloven.

Speelgoedpoedel

Tim Pardijs

Ze strekt haar armen uit naar het cadeau, scheurt daarna met grote halen het papier los. Dat kan niet opnieuw gebruikt worden. De doos gaat moeilijk open. Het kartonnen lipje moet losgemaakt en daarvoor moet eerst een plakbandje doorgesneden, maar dan kan ze de plastic poedel in haar armen houden. Even legt ze haar wang tegen de krullen, laat dan de wieltjes ratelen over de vloer.
In die witte krullen is het bruine zand nog te zien, nu het speelgoed in de vitrine van de archeologiezaal van Stedelijk Museum Zutphen ligt, naast twee auto’s, een kiepwagen, een paard, een zwaan en een trompet. Allemaal van plastic. Archeologen vonden het speelgoed in 2016 en 2017 bij opgravingen aan de Halvemaanstraat in Zutphen. Het stamt volgens hen uit de jaren zestig van de twintigste eeuw. In dezelfde vitrinekast liggen een tabakspot en vingerhoed uit de negentiende eeuw, sleutels uit de achttiende eeuw, tegels uit de zeventiende, een kan uit de zestiende, een kookpot uit de vijftiende, een pelgrimsinsigne uit de veertiende eeuw, en zo verder terug de tijd in, via een Romeins slot uit het jaar 200, een urn (1200 voor Christus) tot een vuurstenen krabber uit 8000 voor Christus. Op een van de tegels staat: ‘Zijt steeds bereid voor d’eeuwigheid.’

Muren (6)

Tim Pardijs

Ik heb er tot nu toe niets van gemerkt dat er een beest in ons huis was, zei ik. Dit is niet waar. Al langer hoorde ik op zolder harde tikken uit het dak komen. Ik heb de buren gevraagd of zij het geluid ook hoorden in hun dak. Dat was niet zo. Ik heb er wakker van gelegen, denkend aan houtworm of iets anders dat het houtwerk aan zou vreten, waardoor het dak in een stofwolk op ons in elkaar zou storten. Ik heb de geluiden nooit kunnen verklaren. De zelfverzonnen uitleg dat het harde tikkende geluid veroorzaakt wordt doordat hout krimpt en uitzet bij temperatuurschommelingen, vind ik steeds minder waarschijnlijk. De mus probeerde al langer binnen te komen, is nu mijn overtuiging. Dat verklaart ook het gekras van nagels op de dakpannen, een geluid dat goed te horen is onder de schuine kanten van het zadeldak. Daar op zolder is mijn werkkamer. Regelmatig houdt het me van mijn schrijf- of leeswerk af. Nu de mus zich binnen de muren van ons huis beweegt, is er niet meer aan te ontkomen. Niet meer alleen bij het gekras van nagels of getik uit het dak beweeg ik gespannen door het huis. Het wordt tijd dat ik iets aan de mus ga doen.

Muren (5)

Tim Pardijs

Ik zag een opening en ik ging. Overal kijk ik. Normaal gesproken. In de lucht. Op de grond. In een boom. Op een struik. Ik kijk. En ik ga. Ik ben nooit lang op een plek. Elders is het. Altijd. Elders draagt mij. Elders is onder mijn vleugels. Deze keer zag ik een vierkant. Schaduw. Koelte. Warm was het. In de lucht. Op de grond. Daar niet. Daar was schaduw. Dus ik ging. Kozijn, vensterbank en ik was er. In de koelte. Weer keek ik. En ik zag. Kast met kinderboeken. Dozen. Matrassen. Zag ik. Verderop was het donker. Zag ik. Nog koeler. Dus ik ging. Verder. Hup, hup. Donker. Weer keek ik en licht zag ik. Elders. Genoeg donker, donker genoeg. Licht. En ik ging. Naar het licht. Hup, hup. Vleugels wijd. Naar het licht. Maar het licht. Maar het licht. Hard. Het licht was hard. Het licht was een muur. Een muur van licht, zo hard dat ik viel. Weer keek ik. Ik zag elders. Achter het geharde licht. Maar elders droeg mij niet. Vensterbank droeg mij. Vleugels. Vensterbank, vleugels. Vensterbank. Elders weg. Mijn veren te zacht voor het harde licht, mijn vleugels te zwaar zonder elders. En toen bewoog de schaduw. Naar mij toe. Zag ik. Weg, weg! Schaduw in. Weg! Zwart in. En zwart zag ik. Hard, zwaar, zwart. Overal.

Muren (4)

Tim Pardijs

Acht nageltjes prikken door mijn trui in de huid van mijn schouder. Ik sta stil in de garage en probeer erachter te komen of ik me niet vergis. De druk op mijn schouder is zo licht dat als ik me niet beweeg, ik het bijna niet voel. Maar als ik mijn rug recht om het gevoel van me af te schudden, wordt de greep van de twee pootjes op mijn huid sterker; het doet pijn. Ik beweeg me daarom niet. De afgelopen dagen was ik steeds in de weer om de mus weg te jagen bij de eettafel. Daarvoor gebruikte ik een mooie foto uit de ochtendkrant, een vrolijk liedje op mijn telefoon of een goede grap bij het avondeten. Meestal lukte dat wel, maar elke volgende keer als de vogel weer tevoorschijn kwam, leek hij wel groter geworden. Het gefladder om mijn hoofd nam toe, ik schreef er minder goed door, schoot niet zo snel op met mijn leeswerk als anders, maar ik was allang blij dat we gewoon door konden gaan. Nu iedereen naar school is en ik alleen thuis ben, in de garage sta om mijn fiets te pakken, heeft de mus mij gevonden. Met gebogen schouders luister ik naar wat hij in mijn oor fluistert.

Muren (3)

Tim Pardijs

Het grootste deel van de dag houdt de mus zich stil. Hij zit ergens in het huis en wacht. We zijn er inmiddels achter gekomen dat het geen zin heeft naar hem op zoek te gaan. De vogel heeft manieren om zich onzichtbaar te houden. We denken nog steeds dat hij in de berging zit, ergens tussen de dozen met kinderkleren en werkjes van de basisschool. Op onverwachte en onhandige momenten komt hij tevoorschijn. Met zijn ongecontroleerde bewegingen slaat hij dan tegen deuren en muren, gooit spullen omver en maakt krassen op plekken waar we zo ons best voor doen om ze glad te houden. Zijn wilde gefladder weerhoudt ons van het dagelijkse ritme in huis: samen ontbijten, rustig koffie drinken, uitgebreid avondeten, daarna huiswerk maken. We moeten alert zijn, voor als de mus tevoorschijn komt. We proberen hem dan te kalmeren. Met zachte stem praten we tegen hem, zeggen dat dit niet zijn plek is, in een huis tussen gezonde en succesvolle mensen. Soms houdt hij zich dan even rustig, maar elke keer als we denken hem te kunnen pakken, ontsnapt hij. Als we ons geduld verliezen en naar hem slaan, gaat hij alleen maar drukker tekeer, soms zo wild dat hij wel lijkt te groeien. Het enige wat we dan kunnen doen, is hem uit laten razen.

Muren (2)

Tim Pardijs

Het raam van de logeerkamer heb ik gesloten, het zorgde voor te veel kou in huis. Ik heb in alle kamers gezocht, de logeerkamer uitgebreid gecontroleerd, ben met een zaklamp door de donkere berging gegaan waar ik de mus voor het laatst tegen de muur hoorde stoten, maar vond nergens een dood vogellichaam. Dat ik hem niet kan vinden, betekent dat hij of door het open raam weg is gevlogen of dat hij zich ergens stil houdt in huis. Dat kan heel goed. We hebben er tot nu toe ook niets van gemerkt dat er een beest in ons huis was. We hoorden wel eens iets vallen, maar dat schreven we toe aan de buren of een timmerman in een van de achtertuinen in de buurt. De tocht die langs het hoofd waaide en die boven een deur dicht sloeg, kwam vast van een open raam. Onrustig gefladder rond de borststreek streken we met een paar handbewegingen weg, om vervolgens op te staan om uit te gaan, de televisie aan te zetten of een telefoon te pakken. Als de vogel in zijn wilde bewegingen niet wat uitwerpselen op de vensterbank en het kozijn van de logeerkamer had achtergelaten, was ik het bruine verenballetje dat keer op keer tegen het glas stuiterde allang vergeten. Maar nu is hij aanwezig, ook als hij zich stil houdt.

Muren (1)

Tim Pardijs

Ik hoor iets stommelen in de kamer naast mijn werkkamer op zolder. Dat is vreemd, want ik ben alleen thuis. Ik sta op van mijn bureau en ben in een paar passen in de logeerkamer, waar twee matrassen op de grond liggen en verder dozen met speelgoed en een kast met kinderboeken en jeugdtijdschriften staan. Ik zie gelijk waar het geluid vandaan komt. Tegen het gesloten raam stoot steeds opnieuw een mus. Geen moment zit hij stil. Raakt hij het glas van het raam, valt hij naar beneden, landt op de vensterbank en vliegt dan opnieuw tegen het raam. Het vogeltje moet naar binnen zijn gevlogen toen het raam lange tijd open stond deze warme herfst. Maar nu het kouder wordt, is het raam weer dicht, en zit de mus opgesloten. We hebben er tot vandaag niets van gemerkt dat het beest in ons huis was. Ik zet een paar stappen naar het raam toe. De mus begint nog wilder te fladderen. Op het moment dat mijn hand de klink van het raam raakt, schiet de mus achter me langs. Door de open kamerdeur vliegt hij het huis in. Ik hoor hem nog een paar keer stoten tegen muren en deuren en dan is het stil. Ik ga weer naar mijn werkkamer. Het raam van de logeerkamer laat ik open staan.

Kraag

Tim Pardijs

Hij is overal. Ben je binnen, slaat hij tegen de ramen, buiten rukt de herfst aan je jas en zelfs in het museum is zijn onrust aanwezig. Bijvoorbeeld op een doek van Friso ten Holt dat Museum Henriëtte Polak in collectie heeft. Het heet eenvoudigweg Landschap, is gemaakt in 1970 en toont geen bomen, geen gebouwen, geen mensen: alleen een hemel boven een duinlandschap. De horizon is slechts zichtbaar als verschil. In de lucht zijn verschillende wit- en grijstinten samen met lavendelblauw overheersend, in brede vlakken zijn ze ruw op het doek aangebracht. Het land daarentegen is in horizontale, dikkere verfstreken weergegeven in meer aardse kleuren als okergeel en mintgroen. Het grijs van de grondering schemert vooral aan de randen door de verschillende kleuren verf, die in snelle streken op het doek lijkt te zijn aangebracht. Sporen van verf of paletmes zijn hier en daar zichtbaar. Het maakt het werk onrustig. Het weer is vuil. De zachte kleuren en de eenvoudig compositie, eigenlijk bestaat het schilderij uit maar twee vlakken, houden het doek echter in balans. Kijk de volgende keer dat je de kraag van je jas stevig moet vasthouden omdat het zo hard waait, even naar de lucht, en denk aan de rust van Friso ten Holt.

Balpen

Tim Pardijs

Balpennekes. Zo noemt Anita Vermeeren de tientallen portretten op bierviltjes die samen kunstwerk Wall of love vormen in Museum Henriëtte Polak. Balpennekes, balpennekes. Ik herhaal het woord, dat afkomstig lijkt uit de Brabantse streek waar Vermeeren atelier houdt, omdat het dit werk zo goed karakteriseert. Bij de eerste lettergreep ‘bal’ voel je het balletje van de pen over het bierviltje rollen en de drie korte e’s die volgen geven het woord de lichtheid van het moment dat de pen boven het papier zweeft. Het bierviltje in het café, volgekrabbeld met een naam en telefoonnummer of een spontaan zakenplan, over de tafel geschoven, in een zak gestoken, iemand staat op, schuift zijn stoel naar achteren, de pen valt op de vloer.
Deze vluchtigheid zit ook in de portretten van Vermeeren. En dan vooral in het haar, dat met zichtbaar genoegen rond het hoofd is getekend: krullen dwarrelen rond de hoofden. In een golf zijn enkele tientallen balpennekes op een meterslange witte muur aangebracht. Slechts hoofden, getekend met een blauwe balpen op vierkante witte viltjes. Juist deze strenge beperking in onderwerp en techniek geeft Vermeeren de vrijheid licht, luchtig en vluchtig te zijn.

Lopende band

Tim Pardijs

Stapje voor stapje schuiven de mensen in de rij op. Ze bestellen koffie of pasta en lopen voor ons langs de stationshal in. In de trein glijden de deuren dicht, het landschap aan ons voorbij, als de muziek in onze oortjes, de beelden op onze telefoons. Op de luchthaven leggen reizigers sleutels, portemonnees, laptops, riemen en reispapieren in grijze bakken, met hun jassen en tassen schuiven ze weg over de rolband. Met een beweging van zijn vingers wenkt de douanier paspoorten naar zich toe. De mensen erachter volgen en lopen na een tweede handbeweging en een knik door. In het vliegtuig kijken we eerst naar mannen in gele en oranje hesjes die koffers op een lopende band gooien, ze schuiven onder ons het vliegtuig in, daarna zitten we zo lang stil dat onze benen beginnen te slapen. De jongen die een video monteert, het meisje voor het raam dat steeds met haar vingers over haar scherm strijkt, de snel lopende vrouw met de gefronste wenkbrauwen, de jonge mensen met de bewegende kinderwagen; reizen is kijken, reizen is wachten, anderen zien bewegen en wachten. Wachten op de tijd, die naar je opschuift tot het moment dat je zelf in beweging komt en je lichaam aansluit in de onmerkbare beweging op weg naar je aankomst.

Verf

Tim Pardijs

Dit is een moeilijk stukje. De woorden die volgen, gaan namelijk over een schilderij waar niets op te zien is. En woorden verwijzen altijd naar iets, in mijn geval naar de dingen de laatste tijd. Het titelloze werk van Linde Leijh dat nog tot 28 oktober in Dat Bolwerck in Zutphen te zien is als onderdeel van expositie ‘Dragelijke leegte’ toont echter geen dingen. Moeilijk dus, deze blog, of juist makkelijk. Want wat blijft er te beschrijven over als er niets is? De woorden zelf. En de verf. Want die is er wel. In vele lagen groen en grijs bracht Linde Leijh olieverf op het doek aan. Vlak boven de onderrand van het schilderij is een horizontale band te zien in een donkerder kleur grijs, zodat je een lage horizon vermoedt. Als je dichterbij komt, verdwijnt die echter, en blijft de verf over. Daarboven loopt de kleur over naar een lichter grijs, met een helder deel in het midden, naast een donkere vlek rechts. Zo ontstaat de suggestie van wolken, maar je ziet geen wolken. En hier doet zich weer het probleem van dit stukje voor. Geen lichtbron, geen diepte, geen gebouwen, geen mensen, geen bomen, geen dingen; over het niets kunnen wij alleen spreken in ontkenningen, zozeer zijn we gewend aan aanwezigheid. Dat is wat Linde Leijh laat zien.

Bord

Tim Pardijs

De matrozen van pantserkruiser Potemkin doen de afwas. Ze dopen witte borden in het sop, halen borstels over het aardewerk. Anderen drogen af. Lepels leggen ze in een rechte rij op het witte tafelkleed. Dan zoomen we in op een matroos. Hij wast een zwart bord af. Er staan witte letters op. De matroos kijkt er naar en draait het bord langzaam door het sop, zodat de woorden een voor een zichtbaar worden. Geef. Ons. Heden. Ons. Dagelijks. Brood. Close-up: een rimpel verschijnt tussen zijn wenkbrauwen. Muziek zwelt aan. Met een enorme zwaai slaat de matroos het bord op de rand van de tafel kapot. Door de klap verschuiven de lepels.
Zo slaan de matrozen in 1905 de oude kaders stuk, herschikken de verhoudingen, zetten een revolutie in beweging in Odessa. Aanleiding: een bord soep met bedorven vlees. Het zijn de dingen die het verhaal brengen in de film Pantserkruiser Potemkin (1925). Filmtheater Luxor in Zutphen toonde film de film in de serie ‘100 jaar in 50 films’. Regisseur Sergej Eisenstein zette snelle montage en suggestieve close-ups van maden, kanonnen, een kruis, een sabel en een kinderwagen in om de kijker mee te nemen, en liep daarmee voorop in de filmgeschiedenis. Na afloop sloeg het ongeveer zestig koppen tellende publiek de handen op elkaar.

Tassen

Tim Pardijs

Een fiets achtergebleven na een logeerpartijtje, was van twee dagen in een koffer, een stapel uitgelezen kranten in de mand, het boek besteld, opengeslagen, de eerste paar bladzijden gelezen en dichtgeslagen opzij gelegd, boodschappen in uitpuilende tassen, berichten die om een antwoord vragen; de dingen moeten terug op hun plek. Een overnachting gisteren ergens anders, gevolgd door een succesvol gesprek over nieuw werk haalden de dingen van hun plaats. Ik vertrok en liet los, kom terug en pak op. Een nieuwe opdracht tilde me op, en nu moet ik weer ergens terecht komen. Want dat nieuwe werk, hoe past het tussen de websites die ik schrijf, het ondernemingsplan waar ik aan werk, de gastlessen voor basisscholen en de teksten voor het communicatiebureau. Ik moet alle dingen op een plek zien te leggen, op zo’n manier dat ik zonder te zoeken alle benodigdheden kan pakken en gebruiken in de nieuwe week, om zo mijn geld te verdienen en ook nog eens succesvol te zijn. Want succes bestaat niet uit komen opdagen en geld binnen zien komen, succes is tevreden zijn met wat ik doe en de manier waarop ik het doe.

Brieven

Tim Pardijs

Opstand in het kalme Zutphen? Zeker. In de archeologiezaal van het Stedelijk Museum komt het thema van de Maand van de Geschiedenis terug in geëxposeerde brieven. In een van de lijsten zien we linksboven een man in een versierde mantel op een troon zitten. Hij ontvangt een brief. Deze man, hertog Karel van Gelre, zien we op een ander plaatje achter tralies, terwijl hij iemand door de spijlen heen de hand drukt. Weer een afbeelding verder staat de hertog buiten, terwijl de man die de handdruk kreeg achter de muren van de toren verdwijnt. Hij roept de hertog nog wat na, de woorden zijn weergegeven in een tekstwolkje. Deze brief was vijfhonderd jaar geleden in heel Gelre te zien op muren en deuren, de social media van de Middeleeuwen. De graaf van Meurs riep vanuit zijn cel Karel van Gelre op hem te bevrijden uit de Franse gevangenis. Hij had de plaats van de hertog ingenomen, die daar opgesloten was na een verloren veldslag. De druk gebarende en pratende personages die terugkomen op de opeenvolgende plaatjes, zorgen voor een spannende en levendige weergave van dit verhaal. Onder meer vanwege het gebruik van de tekstwolkjes wordt het wel de oudste strip van Nederland genoemd. De campagne van Bernard van Meurs was overigens een succes, een familielid koopt hem uiteindelijk vrij.

Dubbeltje

Tim Pardijs

Hoe werd Maarten Biesheuvel wakker vandaag? Gisteren weerstond de man die een dubbeltje vol vervreemding kan beschrijven (‘of is het gewoon een pil, een pil tegen de angst?’, uit verhaal ‘De angstkunstenaar’) de priemende vragen en het hagelende applaus van De Wereld Draait Door. Net terug uit de psychiatrische inrichting zat hij in de uitzending voor zijn nieuwste bundel Verhalen uit het gekkenhuis. Ook ‘De angstkunstenaar’ staat hierin. Tijdens de razende inleiding van Matthijs van Nieuwkerk komt hij voor het eerst in beeld. Een lange man met een bril, schuin achterover leunend in zijn stoel, gekleed in een lichtblauwe trui. Zijn hand trilt, zijn borst gaat snel op en neer. De visagiste heeft zijn rechtopstaande grijze haar ongemoeid gelaten. Zijn trillende hand grijpt in dat haar als hij spreekt. Dan leest hij voor uit briefjes die hij vanuit het gekkenhuis stuurde aan zijn vrouw Eva. Bij de zin ‘ik houd het hier niet uit’ tast iets dat uit zijn buik omhoog komt, zijn stem aan. De tijd, de tekst is een jaar geleden geschreven, bestaat niet meer. Het papier en de twee lichtblauwe kaften verdwijnen. Hij lijkt zich even weer te voelen alsof hij in de inrichting in Leiden zit, in plaats van onder de zinderende televisielampen van een Amsterdamse televisiestudio.

Penseel

Tim Pardijs

Het is dit keer de onverklaarbare schittering midden op het doek die ervoor zorgt dat ik maar blijf kijken naar het zelfportret van Willem den Ouden. We zien de schilder schuin van onder. Hij kijkt omhoog en houdt zijn rechterhand met penseel omhoog tegen de zon, schaduw valt over zijn gezicht. De overheersende kleur van het doek is blauw, het blauw van een wolkeloze lucht aan het eind van een zomerdag. Het overhemd dat hij draagt en de achtergrond zijn geschilderd in die kleur, waardoor hij deels opgaat in het hemelsblauw.
Het is een overgangsdoek, legt kunstjournalist Gijsbert van der Wal uit in zijn boek De portretten van Willem den Ouden (Varik 2018). Na jaren de landschapsschilderijen gemaakt te hebben waar hij zo bekend mee is geworden, maakte Den Ouden in 2007 voor het eerst weer een zelfportret. We zien niet de zon, die zelfs op zijn doeken met een bewolkte hemel onverbiddelijk centraal staat en die als cirkel in veel recente zelfportretten terugkeert, maar we kijken naar de schilder van de zon. Willem den Ouden baadt in het zonlicht en we zien hoe hij de stralen hanteert. En zelfs in de schaduw die over zijn ogen valt, daar waar er geen direct licht voor een weerkaatsing kan zorgen, schittert die zon.

De dingen zijn alleen (5)

Tim Pardijs

Rutger Kopland zit aan een donkerbruine glanzende tafel, laag zonlicht valt over het hout en ineens overvalt hem een geluksgevoel. De dichter vertelt hierover in de lezing ‘Dankzij de dingen’, het dankwoord bij de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs in 1988, dat is opgenomen in Koplands essaybundel Het mechaniek van de ontroering. Het donkerbruine hout doet hem terugdenken aan de gelukkige zomers in het huis van zijn grootouders, waar ‘alles’ van glanzend donkerbruin hout was: de eetkamer, de woonkamer, de zolder. Maar de tafel en de zon erop doen meer dan alleen een herinnering oproepen. ‘het was geen morgen, geen middag of avond, het was alles tegelijk. Tijd en ruimte waren weg.’ In deze intense geluksbeleving hebben de voorwerpen een grotere zeggingskracht: ‘dingen die niets over zichzelf zeggen dan dat ze er altijd zijn geweest, er zijn en er altijd zullen zijn, en daarmee over onszelf zeggen dat wij gemaakt zijn van tijd.’ Wat Kopland met deze existentieel getinte uitspraak zegt, is dat de herinnering verbonden aan een voorwerp ons het verschil laat zien tussen mensen en dingen. Wij zijn verder gegaan in de tijd, de dingen zijn gebleven. Ze zijn even ons verlengstuk, als we ze gebruiken, maar daarna laten we ze weer alleen.

Verveling

Tim Pardijs

Het verveelt me soms, het schrijven over de schemerlamp, de tuinbank, de plank in de keuken, het konijnenhok, het dak. Voordat ik de bureaustoel beschreef, zat ik tien minuten met mijn vulpen in mijn handen. Open, dicht, liet ik de metalen dop over het schroefdraad glijden. Open, dicht. Ik vond in mezelf geen licht dat op de dingen scheen, zodat ik ze niet meer kon beschrijven.
Ik schreef toch. Niet alleen omdat ik mezelf de opdracht heb gegeven om na de stad en de vinex-wijk nu mijn huis en de voorwerpen erin te beschrijven, maar vooral ook omdat ik geloof dat er achter de verveling iets te vinden is. En dat heeft iets te maken met wat Maarten Biesheuvel zegt, geciteerd door Rob Schouten in Trouw in een artikel over de bundel Verhalen uit het gekkenhuis: ‘de angst van het niet meer begrijpen, van het niets meer begrijpen, de angst de zwaartekracht haar geheim te ontfutselen, te snappen wat een bureaublad is, wat een speldeknop en wat wroeging, schuld en pijn. Is er wel iets, zijn wij niet allen gedroomd of misschien iemands herinnering?’ Ik ontfutselde al schrijvende een stukje van het geheim van mijn krakende bureaustoel en leerde al doende iets nieuws over mezelf.