Vragen over tarieven, opdrachten of projecten die ik voor je kan doen? Ik hoor het graag!

 

t. 06-14661504

Twitter

Facebook

LinkedIn

KvK: 69686602

 

         

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

blogs

Tim Pardijs vertelt over zijn leven als schrijver, lezer, docent en huisman. 

Rechte rug (over Henriëtte Polak)

Tim Pardijs

De lijnen naast haar mond doen de aanzet van een glimlach vermoeden, maar haar lippen zijn recht en de perfecte bogen van haar wenkbrauwen staan hoog boven de ietwat geloken ogen. Haar linkerarm ligt in haar schoot, haar rechterarm rust op de leuning achter haar, waardoor ze in een rechte houding op de stoel zit. Joop Sjollema schilderde Henriëtte Polak in 1964, op haar eenenzeventigste, als een vrouw met ruggengraat. Een houding die haar vermoedelijk de Tweede Wereldoorlog door hielp. Toen ze in mei 1940 met haar man, de filosoof Leo Polak, probeerde te vluchten voor de binnenvallende Duitsers, toen ze kort daarna hoorde dat hij gearresteerd was, naar het concentratiekamp werd gebracht en daar overleed, toen ze moest vernemen dat haar dochter die in het verzet zat ook werd gearresteerd en in een kamp stierf en toen ze later zelf tijdens een razzia opgepakt werd en in kamp Westerbork terecht kwam, én toen ze daar toch weer vrijgelaten werd. Maar ook in de ongetwijfeld harde jaren na de oorlog moet ze telkens haar rug gerecht hebben om anderen, vooral kunstenaars, musici en ouderen, te helpen. Ze mag statig en koel overkomen, dit is een heldenportret.

De dingen zijn alleen (9)

Tim Pardijs

Vlak voor ze breekt en het gesprek stopt, vertelt ze over een tandenborstel. Een tandenborstel die Hertha Müller altijd in haar handtas had, omdat ze nooit wist wanneer ze opgepakt zou worden, en hoe lang ze dan van huis zou zijn. De vijfenveertig minuten voor dit intieme moment in de documentaire ‘Het alfabet van de angst’ tonen al een vrouw met een dunne stem, een breekbare gestalte gekleed in het zwart. Prachtig heeft filmmaker John Albert Jansen Müllers oogopslag vastgelegd, soms heel kort gemonteerd tussen twee langere shots. Haar blauwe ogen kijken snel over de rand van haar bril heen. Nog altijd is ze alert, controleert ze wie er in de kamer zit. Deze angst, opgedaan tijdens het communistische regime in Roemenië, besmet alles. Ook de taal, zoals ook die andere indrukwekkende schrijfster Antjie Krog vertelt. Taal is niet neutraal, ‘taal is wat er met mensen gebeurt’, zo zegt Müller in de documentaire. Het leven laat zijn afdruk achter in de taal. En in de dingen. Een tandenborstel in een handtas. Omdat je ook als je in de cel zit en telkens ondervraagd wordt, je je tanden wilt kunnen poetsen.

Schaarste

Tim Pardijs

Een paar tientjes. Zoveel is een van de meest waardevolle stukken van Musea Zutphen waard. Een paar tientjes in omgesmolten staat. Het gaat om een verzameling die te vinden is in een speciale vitrine in het deel van het museum dat de lokale geschiedenis vertelt. Vier oude schutterskettingen en vijf bekers van zilver, daar hebben we het over, sommige zeer fijn bewerkt. Het ereteken van de schutterskoning van Bronckhorst uit 1400 bijvoorbeeld, toont Sint Joris en de draak, met zwaard, muts, harnas en vooral de staart van de draak uitgewerkt tot in de kleinste details. Groot nieuws was deze collectie in maart 2013. Inbrekers drongen met grof geweld het museum binnen, en stalen het zilver. Vierenhalf jaar bleef het vervolgens stil rond deze roof, afgezien van de hoge beloning die een schadebedrijf namens de verzekering uitloofde voor de gouden tip over het gestolen zilver. Hoeveel precies werd niet bekend gemaakt, alleen dat het om een fors bedrag ging. Even spaarzaam met informatie waren politie en museum eind 2017 toen het zilver werd gevonden in Amsterdam. Agenten liepen ertegenaan tijdens een ander onderzoek, is alles wat we weten. Volgens de economische wetten vergroot deze schaarste aan gegevens de waarde van dit verhaal. Hetzelfde geldt voor het zilver. Inbrekers en politie hebben met de brutale diefstal en mysterieus gehouden vondst gewicht toegevoegd aan deze Zutphense zilvercollectie.

Thuis bij David Lynch (2)

Tim Pardijs

Een huisje en een boompje zijn te zien aan het begin van de korte film ‘Fire’ van David Lynch. Het bijna tien minuten durende werk maakt deel uit van de expositie ‘Someone is in my house’ die nog tot 28 april in Maastricht te zien is. Het huisje en het boompje zijn tweedimensionaal weergegeven, rustend op een hier en daar gebogen donkere overgang naar een lichtere achtergrond, een horizon. Een licht rondje verschijnt in de hemel. Zon. Totdat er een worm met een ronde kop uit komt kronkelen. De zon is een gat. Uit de kop van de worm komen twee handen, die weer twee ogen voortbrengen, die door de wereld met het huisje en het boompje zweven. Nadat ze verdwenen zijn, begint het zwarte ballen te regenen. Het landschap begint te trillen, het huisje en het boompje vatten vlam. Een onduidelijke vorm schuift nu van rechts het beeld in. Door een oogvormig gat zien we de vlammen bewegen, de ballen vallen. De vorm schuift naar achteren waardoor we hem compleet kunnen zien. Het is een masker, waar tranen uit de ogen beginnen te stromen. Op het moment dat het huilen begint, verdwijnen het huisje en het boompje en zien we een nieuw landschap, weergegeven in eenvoudig perspectief. Vooraan een kale boom, achteraan een fabriek. Twee grote handen bewegen over de ogen. Dan verdwijnen masker en ogen, en dansen er figuren met lange dunne poten en geweien van takken door het beeld; de beestjes.

Muren (13)

Tim Pardijs

Nu ik de tijd neem de mus te bekijken en op te schrijven hoe hij eruit ziet, hoe hij te werk gaat en wat hij aanricht, leer ik hem steeds beter kennen. Of moet ik zeggen herkennen? Ik raak er van overtuigd dat de mus niet afgelopen zomer ons huis binnen vloog, opgesloten raakte toen ik de ramen sloot en ons daarna begon lastig te vallen. De heen en weer schietende ogen, het onrustig bewegen van ledematen, het razen in de borststreek; het wekte me twee jaar geleden al een keer, midden in de nacht. Mijn rug was nat van het zweet, mijn ademhaling ging snel, mijn voorhoofd voelde koud van het vocht. Voorovergebogen zittend op de rand van mijn bed vroeg ik me af wat er over mij was gekomen. Mijn huid voelde vreemd. Het leek of er overal kleine kriebelende bultjes verschenen, alsof iets zich een weg naar buiten werkte. Wat had ik gezien, die nacht? Iets wat ik jaren niet had willen zien en wat me overrompelde. Ik stond op, dronk een glas water in de badkamer en keek in de spiegel. Het was alsof ik een masker op had: donkere kringen onder mijn ogen, die door de wijd geopende pupillen bijna helemaal zwart waren.

Thuis bij David Lynch

Tim Pardijs

Aangetrokken door de titel ‘Someone is in my house’ bezoek ik de overzichtstentoonstelling van David Lynch in Maastricht. Huizen zijn volgens de catalogus een terugkerend motief in Lynch’ beeldende werk. Het is echter wel zoeken naar sterke muren en waterdichte daken in alle jeugdtekeningen, schilderijen, lino’s, foto’s, films en objecten in een tiental ruimten in het Bonnefantenmuseum. Mensfiguren overheersen, altijd vervormd weergegeven: een te kleine poppenarm steekt uit een lichaam, zeven ogen in een bruine vormeloze klont, zwevende hoofden met een dunne ijzerdraad verbonden aan een lijf, een mens onder een parachute die na goed kijken ook weer een mens blijkt te zijn. En alles tegen donkere achtergronden. Op zelfportret ‘That’s me in front of my house’ geeft Lynch zijn huis weer in vier dunne lijnen, met de vinger in zwarte verf getrokken. Voor dit tweedimensionale huis staat een mensfiguur, met benen bijna zo hoog als het huis. Ook op andere werken zijn huizen klein en kwetsbaar; bijvoorbeeld een vage rechthoek met een wit vierkantje als raam. Lynch had naar eigen zeggen een gelukkige jeugd, maar leerde later dat bakstenen soms net zo goed van papier kunnen zijn, en dat je als naar binnen kijkt er veel is dat een thuis bedreigt. ‘Someone is in my house’. Misschien zijn wij die iemand soms zelf wel.

Muren (12)

Tim Pardijs

Met mijn rug tegen de schutting zit ik achterin de tuin. Op mijn schoot liggen notitieboek en pen. Ik kijk naar ons huis. Drie ramen met donkerblauwe kozijnen op de begane grond, twee met witte kozijnen op de eerste verdieping en daarboven de schuine grijze kap van het dak. Achter de ramen zie ik af en toe de glimp van de mus: een vleugel achter een raam beneden, een lichtbruin bolletje met een puntige bovenkant op de vensterbank boven, een schaduw die over een muur glijdt. Ik open het notitieboek, pak mijn pen en beschrijf zo nauwkeurig mogelijk hoe de mus eruit ziet. Maar elke keer als ik halverwege een zin ben, trekt hij zich weer terug in de schaduw van het huis. Laat hij zich daarna weer zien, dan ziet hij er totaal anders uit. Ik lees terug. Ik heb allemaal halve zinnen met steeds andere omschrijvingen: bruin én zwart, klein én groot, zacht én hard tjilpend, met vleugels of op poten. Ik wil hem beschrijven om hem te snappen. Als ik weet hoe hij eruit ziet en hoe hij zich gedraagt, kan ik voorkomen dat hij in de toekomst weer een ravage aanricht. Geen enkele beschrijving komt echter overeen met zijn volgende verschijning, en dus blijf ik schrijven.

Muren (11)

Tim Pardijs

Na het avondeten, op weg naar mijn werkkamer, hoor ik lawaai in een van de slaapkamers. Er valt iets op de grond, een harde stem, een kastdeur slaat hard dicht. ‘Ga weg!’ hoor ik als ik de deur open. Door de kier zie ik in het schemerdonker van de kamer dwarrelende veren. Ik hoor een zwaar ademen. Dan slaat de deur dicht. Ik loop weg, maar keer halverwege de overloop om en open zacht de deur. Ik stap naar binnen en sluit hem achter me. Ik ril. Zo groot als hij vandaag is, heb ik de mus zelden gezien. Hij staat middenin de kamer, zijn vleugels wijd uitgespreid, waardoor hij het raam voor een groot deel afdekt. Zijn ogen twee grote spiegels, zonder dat er iets in te zien is; ze zijn gitzwart en schieten heen en weer. De snavel doet me denken aan een schild als hij gesloten is, en aan een wapen als hij hem open spert. Een vuurrode tong kronkelt daar in de schaduw. Zijn veren liggen als lagen donkerbruine waaiers op zijn lichaam en zijn dikker dan normaal. Zijn klauwen verkreukelen het vloerkleed alsof het een vloeipapiertje is. Het bed, het bureau en de kledingkast lijken allemaal kleiner.

Veel gewoner wordt het niet

Tim Pardijs

Voor een geopend raam zit een vrouw op een bank. In de kamer verder een ronde salontafel met op een donkerrood kleed wat boeken en een vaas fletse bloemen, twee bruine fauteuils, een lage boekenkast rechts en links een staande paarse schemerlamp, een wereldbol eronder. De vrouw buigt haar hoofd naar iets wat op haar schoot ligt, vermoedelijk een boek. Veel gewoner wordt het niet. Precies in het midden van dit vierkante schilderij van Fik Abbing, te zien in Museum Henriëtte Polak, krijgen we door de naar binnen openende ramen een doorkijkje op de straat. Een Amsterdamse straat, afgaande op de titel die de schilder het doek gaf: Interieur Minervalaan, 1945-1946. Het contrast tussen buiten en binnen is groot. Overheersen binnen donkere tinten, buiten zien we frisgroene bomen, een lichtblauwe lucht en in een bloembak aan de buitenkant van het raamkozijn felrode bloemen. Alleen met olieverf is een kleur zo levendig weer te geven. Bijna ruik je de lucht buiten, voor het eerst dit jaar weer opgewarmd door de zon. Nog steeds echter een weinig spannend tafereel. Totdat we nog eens naar de titel van het doek kijken. Wat zeggen die jaartallen? Abbing schilderde dit doek vlak na de Tweede Wereldoorlog. Een donkere tijd is voorbij, het raam staat open voor een nieuw begin.

Voordragen met Antjie Krog

Tim Pardijs

‘Ze heeft vanmiddag nog hardop gelezen’, zegt John, de man van Antjie Krog. Het is een kwartier voor de avond, georganiseerd door de Zutphense boekhandel Van Someren en Ten Bosch, begint. Zo dadelijk interview ik Krog en om mezelf af te leiden van mijn zenuwen maak ik een praatje met John, een gepensioneerd architect met lang grijs haar in een paardenstaart. Het publiek druppelt binnen. Krog oefende met voorlezen omdat de teksten uit haar non-fictie bundeling Hoe alles hier verandert waarover we in de voorbereiding contact hadden, niet in het Zuid-Afrikaans bestaan. Ze schreef ze veelal in het Engels en leest ze nooit in het Nederlands voor. Vandaag dus wel. Met een Zuid-Afrikaans accent.
Even later zit ik met Krog op de eerste rij. Achter ons klinkt het geroezemoes van de mensen. ‘Wilt u ook gedichten voorlezen?’, vraag ik haar zacht. Dat wil ze. Maar alleen als ik de Nederlandse tekst voorlees. Ik houd haar het gedicht ‘grond’ voor. Ze knikt, vraagt mijn potlood en zet streepjes in de tekst. Meestal na een regel, maar soms ook na meerdere regels, en in één zin na elk woord. De streepjes zijn de momenten waarop zij stopt en ik begin. Zo wisselen we elkaar af. ‘Zullen we even oefenen?’, vraag ik. En met onze hoofden dicht bij elkaar om elkaar goed te kunnen verstaan, lezen we drie regels.
Het programma begint. Ik heb veel van Antjie Krog gelezen in de voorbereiding en heb vier grote vragen. Op het moment dat ze begint te praten, besluit ik ze niet in volgorde af te werken, maar mijn eigen nieuwsgierigheid te volgen. Ik stel haar de vragen die in me opkomen, luister goed en probeer het gesprek te sturen naar mijn vragen. Dat lukt. We praten over taal. Ze vertelt dat het Engels en het Afrikaans in haar land een politieke lading heeft. Hoe schrijft u dan gedichten, wil ik weten. Is dat niet dodelijk voor de creativiteit, als taal zo gevoelig ligt? ‘Een gedicht begint voor mij met klank’, antwoordt Krog. Het is volgens haar de basis van elk vertellen, betekenis komt later. We lezen regel voor regel het gedicht ‘dichter wordende’ voor, dat hierover gaat. En ten slotte ‘grond’. Terwijl zij een lange zin vol rijke beelden leest, haal ik diep adem en zet de lucht vast in mijn buik. Streepje. En zonder dat ik lees, komen Krogs woorden vanaf mijn middenrif, door mijn luchtpijp naar boven. Klanken uit mijn keel. Als we klaar zijn en het publiek klapt, is het alsof ik wakker word. Ik voel verbazing. Dus dit is wat Antjie Krog bedoelt met: ‘wanneer de betekenis van een woord zwicht’.

Beste Prinses van Leesten,

Tim Pardijs

Ik denk niet dat ik je eerbiediger aan hoef te spreken, we wonen immers vlak bij elkaar. En bovendien ontving je de titel prinses pas na je dood, van de archeologen die een paar jaar geleden onderzoek deden aan de rand van de Vinex-wijk waar ik woon. Ik kom twee keer in de week tijdens mijn hardlooprondje langs de plek van je boerderij, iets verderop lag je urn. Daarover gesproken, er is iets bij gevonden. Een halsketting van ongeveer zeventig blauwe glaskralen, met drie grotere kralen als hanger. Kan die van jou zijn? Ik schrijf je even omdat we denken dat de ketting erg bijzonder voor je is. Want die kralen, die komen uit Syrië toch? O ja sorry, Fenicië noemen jullie het daar. Tenminste, wij maken zulke kralen hier niet, dus dat moet haast wel uit het Midden-Oosten komen. Maar hoe ben je ooit aan die ketting gekomen? Jou wereld bestaat toch uit je erf, de akker en het bos waar je hout haalt voor het vuur? Fenicië moet voor jou even ver zijn als jij voor mij in de tijd, zo’n drieduizend jaar. Een andere wereld. Maar ik draaf door. We hebben dus je ketting. Als je me ziet rennen, spreek me gerust even aan. Ik ben benieuwd naar je.

De dingen zijn alleen (8)

Tim Pardijs

‘Ik heb de indruk dat de voorwerpen hun materiaal niet kennen, de gebaren niet hun gevoelens en de woorden niet de mond die spreekt’, lees ik op de dag dat ik uren bezig was met een verloren boek. Hertha Müller zei dit in 2009 bij de ontvangst van de Nobelprijs, in haar toespraak ‘Ieder woord weet iets van de vicieuze cirkel’. Ik lees verder: ‘Maar om ons van ons eigen bestaan te verzekeren hebben wij de voorwerpen, de gebaren en de woorden nodig. Hoe meer woorden wij mogen gebruiken, des te vrijer zijn we immers. Als de mond ons wordt verboden, proberen we ons te handhaven met gebaren, zelfs met voorwerpen. Die zijn moeilijker te duiden, blijven een tijdlang onverdacht. Zo kunnen ze ons helpen de vernedering te doen omslaan in een waardigheid die een tijdlang onverdacht blijft.’ In de alinea’s ervoor heeft ze beschreven hoe iets eenvoudigs als een zakdoek in tijden van censuur en onderdrukking kan zorgen voor steun en liefde. Het verklaart voor mij waarom ik in totaal twee dagen bezig was met een verloren boek, dat ik in die tijd meerdere keren opnieuw had kunnen kopen. De dingen helpen me mezelf van mijn bestaan te verzekeren.

De dingen zijn alleen (7)

Tim Pardijs

Ik ben een boek kwijt. Ik keek in de drie boekenkasten op mijn werkkamer op zolder, in de kast op de overloop en in de witte boekenkast in de woonkamer. Daarna weer naar boven om nog een keer op de planken te kijken. Ik stak mijn arm over de boeken heen en voelde in de ruimte tussen de boeken en de achterkant van de kast. Later op de dag deed ik het hele rondje nog een keer. Ook in de krantenbak en mijn rugtas is het boek niet. Nergens is De taal van de dingen in huis te vinden. Ik zou het gewoon opnieuw kunnen kopen.
Ik kocht het boek vooral vanwege die titel. Het beloofde me een diep filosofisch inzicht over wat nu anderhalf jaar mijn werkplek is. Ik had het nog niet uit, maar ik kan me er weinig van herinneren. Wel dat het titelverhaal me tegenviel. Davis geeft daarin de geluiden van huishoudelijke apparaten fonetisch weer en associeert verder op die klanken. En ook het omslag stond me tegen: te fel paars met luide letters. Ik heb mooiere boeken in de kast staan, met titels als ‘Ieder woord weet iets van de vicieuze cirkel’, een toespraak van Hertha Müller. Misschien heb ik Davis’ boek wel opgeruimd of weggegeven. Nee, met opnieuw kopen vul ik de lege plek die ik voel niet.

Muren (10)

Tim Pardijs

Ik sloot de deur en stapte op de fiets. Een ritje van een kwartier. Daarna zat ik tweeënhalf uur in de trein die me de landsgrens over bracht. Ten slotte nog een uur wandelen. Dat zou genoeg moeten zijn om van een afstand te kijken naar de mus. Zijn pootjes hadden zich diep in mijn hoofd vastgegrepen, maar onderweg voelde ik zijn greep verslappen. Hij klampte zich nog vast, zijn nagels maakten krassen op mijn huid, maar hij kon niet voorkomen dat ik steeds meer los van hem kwam. Op de donkere oprijlaan kijkend naar hoge gebouwen links, waar achter de ramen licht brandde, voelde ik hem niet meer. Daar was een kamer voor mij alleen, met niet meer dan een stoel om in te lezen, een tafel om aan te schrijven en een bed om in te rusten. Een plek waar iedereen af en toe recht op heeft. Ik legde mijn tas op het bed en ging in de stoel zitten.
‘Kom je terug? Zij heeft pijn en ik zit alleen maar te janken. Je moet komen.’ Eén bericht en de mus slaat toe. Zijn ene poot daar, de andere klauw hier, diep in mijn binnendringend. Ik pak mijn tas op en loop terug naar de trein. Met elke kilometer die ik afleg, maak ik de mus kleiner.

Onaangeraakt (Nieuwjaar 2019)

Tim Pardijs

Cyclaampje. Dat is wat we zien op de gelijknamige tekening van Riek Wesseling in de kleinste expositiezaal van Museum Henriëtte Polak. De bloem staat midden in een kamer. Links in beeld een deur, daarnaast een dressoirkast met een tiental boeken. Daartegenover tegen dezelfde wand rechts een kachel met een pijp die het beeldvlak uitloopt, daarvoor een tafel met een stoel, afgesneden door de rand van de tekening. Helemaal links vooraan zien we een deel van stoel, die ook doorloopt buiten beeld. Door deze afsnijdingen doet de afbeelding qua compositie denken aan een foto. Alsof iemand iets bijzonders zag en snel een camera pakte om het vast te leggen, vlak voor het verdween.
Het cyclaampje ziet er compleet anders uit dan de rest van de tekening. Zijn de kamer en de voorwerpen erin weergegeven in een grove korrel, het bloempje is haarscherp en fijn. Kijken we goed, dan zien we dat de bladeren niet getekend zijn, op een paar lichte schaduwranden na. De korrelige voorstelling is eromheen getekend, het wit van het papier kleurt de bloem. Het papier is daar onaangeraakt, als de dagen voor ons. Aan de randen van het cyclaampje is een lichte waas te zien, alsof het zuivere wit op het punt staat zich door de kamer te verspreiden.

Jaaroverzicht 2018

Tim Pardijs

Ik sluit hier het jaar af en ruim op. In mijn aantekeningen over de tweehonderd woorden die ik dagelijks schrijf en die ik herschrijf op deze blog, kom ik de volgende onderwerpen tegen. Dit is mijn jaaroverzicht van 2018. 25 januari wilde ik iets schrijven over het woord ‘schepellep’ dat tijdens het avondeten ineens uit mijn mond viel. Ik wilde daar Georg Simmel bij halen, die stelt dat de overdadige prikkels van de stad mensen afstompen. 10 februari en 7 maart maakte ik aantekeningen over een eksterpaar dat ik door het raam van mijn werkkamer zag. Vogels eisten later toch hun plek hier op. Op 16 mei deed ik verslag van mijn zoektocht naar de herkomst van een luid loeiend geluid in de wijk (bermmaaier) en op 2 juni vergeleek ik de film Annihilation (Garland) met Stalker (Tarkovski). 19 augustus was een dag die ik lezend door wilde brengen. Dat lukte niet omdat ik na tweeënhalf uur te moe was om verder te lezen. Dit zijn de onderwerpen die ik op het moment van schrijven de moeite waard vond om verder uit te werken, maar die ik niet schreef omdat de gewone dingen van de dag belangrijker waren. Zo, 2018 is opgeruimd. Door naar de niet vertelde verhalen van 2019.

Ratten

Tim Pardijs

Vandaag denk ik aan ratten. Er is weinig aan te doen: een bestaan waarin lezen een grote rol speelt, zorgt ervoor dat vreemde onderwerpen soms de gedachten besmetten. ‘Toen de Zwarte Dood door Europa waarde in de 14e eeuw en naar schatting een derde tot de helft van de bevolking slachtofferde, was er nog geen kennis van de overdracht van de pestbacterie door rattenvlooien maar wel een vermoeden, te zien aan de afbeeldingen waarin de plaag met ratten wordt uitgebeeld’, lees ik in De Volkskrant bij Wieteke van Zeil, in haar bespreking van David Lynch’ schilderij Rat Meat Bird, dat momenteel in Maastricht hangt. Een paar uur hiervoor las ik voor mijn cursus geschiedenis aan de Open Universiteit ook al over deze ‘demografische catastrofe’, die vooral dichtbevolkte centra trof. Steden dus. En hierover schreef Albert Camus vlak na de Tweede Wereldoorlog de allegorie De Pest. Van slaapkamer naar woonkamer naar werkkamer naar rugtas, het boek is altijd dicht bij me de laatste weken. Aan het begin van dit verslag van de pestuitbraak meldt de verteller: ‘Onze stadgenoten realiseerden zich nu dat ze nooit op de gedachte gekomen waren dat ons stadje de aangewezen plek zou kunnen zijn waar ratten op het daglicht afkwamen om dood te gaan (…)’

Muren (9)

Tim Pardijs

De veren heb ik bij elkaar geveegd en opgeruimd, voetstappen komen weer licht de trap af, aan tafel kunnen we weer onze zinnen afmaken zonder dat de mus met wilde bewegingen en gekras, ook op de onzichtbare plekken, alle aandacht naar zich toe trekt. Het is net of de mus er nooit geweest is. We lopen weer rechtop door het huis. Als ik iedereen uitgezwaaid heb, houdt niets me tegen om naar mijn kamer op zolder te gaan en aan het werk te gaan. Toch doe ik dat niet. Ik zit op de bank en kijk naar de tijdlijn op mijn telefoon; het is net of de mus er nooit geweest is. Ik zoek iets om op te reageren, maar ik wil nergens op reageren. De mus is weg, maar hij heeft iets achtergelaten. De vraag waarom hij zich op dit moment heeft teruggetrokken, of en wanneer hij terugkomt, en een laag dons in mijn hoofd. Als een dikke doek ligt hij ter hoogte van mijn ogen horizontaal in mijn schedel en verstikt mijn gedachten. Ze worden niet helder en vastomlijnd, maar blijven vaag. Ik hoopte op het einde van het gevecht, maar nu de mus weg is zit ik stil op de bank.

Muren (8)

Tim Pardijs

Met familie en vrienden praat ik weinig over de mus. Ik ben bang dat ze ons zullen verwijten dat het onze eigen schuld is. Hadden we het raam maar niet zo lang open moeten laten staan, beter op moeten letten, strenger moeten zijn toen we voor het eerst merkten dat er iets veranderd was. Binnen onze muren praten we wel vaak over de mus. We bespreken na een aanval hoe hij beneden kwam en ontstak, wat hij aanrichtte in huis en wat we hebben gedaan om hem te kalmeren, hoe de dag weer gewoon werd. Daarna proberen we te bedenken hoe we van hem af komen. We gaan de pogingen langs die we tot nu ondernomen hebben, maar worden het niet eens over wat werkt. Mijn aanpak is de zachte: de mus sussen en daarna zonder dwang naar een andere kamer sturen zodat wij ons kunnen richten op de normale dingen van de dag. Ik ben te zacht, zegt ze. Zij is voor de harde aanpak. Duidelijk zijn. Optreden. Maar, heeft dat zin? Wat schieten we ermee op het gevecht aan te gaan? Het wilde gefladder, het gekrijs, de krassende nagels en na afloop overal in de kamer kleine bruine veren. En uiteindelijk is het resultaat hetzelfde: de mus is weg, zonder dat we weten voor hoe lang. Misschien moeten we een manier vinden om met de mus om te gaan, hem zodanig opvoeden dat hij een plek krijgt in ons leven.

Muren (7)

Tim Pardijs

Ik zet water op voor de thee en dek de tafel. Als ik ga zitten, kraakt de trap. Ik luister naar de zwaarte van de afdalende voetstappen en probeer in te schatten hoe groot de mus vanochtend is. Moeilijk te bepalen. Aan de ontbijttafel laat hij voor het eerst van zich horen, naast mij, met zachte stem. Ik negeer hem en lees de krant. Maar dan wordt de mus luider. Ik leg de krant neer en kijk naar hem. Zijn zwarte ogen schieten heen en weer, zijn vleugels bewegen langs zijn lichaam. De veren kriebelen op mijn arm, ik veeg ze van me af. Ik zeg hem kalm dat hij hier geen plek heeft, maar met elk woord dat ik zeg groeit de mus. En hoe harder ik praat, hoe wilder hij met zijn vleugels slaat. De mus stoot een kop thee om, zijn donzige borst hangt over de rand van de tafel. Als ik opsta om een doekje te pakken, gaat hij nog wilder tekeer. Nagels krassen over tegels, een bord valt op de grond, losse veren dwarrelen door de keuken. Ik hef mijn armen om zijn poten af te weren en loop ik naar mijn werkkamer op zolder. Beneden raast hij door. Als ik een half uur later beneden kom, is de mus verdwenen. Op de grond liggen bruine veertjes. Wie er gewonnen heeft maakt me niet uit, ik ben alleen maar blij dat het over is. Ik controleer mijn huid op krassen. Ik zie niets, maar toch voel ik dat zijn nagels me geraakt hebben.