Vragen over tarieven, opdrachten of projecten die ik voor je kan doen? Ik hoor het graag!

 

t. 06-14661504

Twitter

Facebook

LinkedIn

KvK: 69686602

 

           

123 Street Avenue, City Town, 99999

(123) 555-6789

email@address.com

 

You can set your address, phone number, email and site description in the settings tab.
Link to read me page with more information.

blogs

Tim Pardijs vertelt over zijn leven als schrijver, lezer, docent en huisman. 

Barbecueën in klooster

Tim Pardijs

Tussen de eeuwenoude eikenhouten balken van de dakconstructie hangt een zilverkleurige heliumballon met roze lint. Ook de zolder van Kloster Graefenthal in Goch (Dld.) wordt gebruikt voor feesten. In de hoek staat een tap, een groene bierwagen staat buiten tegen de bakstenen gevel. Waar tegenwoordig gezelschappen tot vierduizend man terecht kunnen, bestond het leven vanaf de dertiende eeuw uit bidden en werken. Adel uit heel Gelre stuurde de ongehuwde vrouwen naar dit klooster. Ze werkten er binnen de 1 kilometer lange stenen muur die het landgoed afbakende van de rest van de wereld en baden voor het zielenheil van graven van Gelre. En die zijn hier begraven. Een graftombe op het midden van het terrein herinnert aan onder meer Graaf Otto II, een bestuurder die bijna dertig steden stadsrechten verleende en zo bepalend werd voor de geschiedenis van dit deel van Nederland. 
Een autopuzzelrit in het kader van Erfgoedfestival 2018 doet het klooster zondag 3 juni aan. Deelnemers horen allerlei oude verhalen uit Gelderland en sluiten af met een barbecue in het nu in Duitsland gelegen hart van de historie van Gelre. Aanmelden en meer informatie op www.kloster-graefenthal.de.

Bruidsjurken zoeken

Tim Pardijs

Een grootscheepse zoektocht naar witte bruidsjurken in de dorpen rond Beuningen en Slijk-Ewijk de afgelopen weken. Theater Over & Weer zocht voor een uitvoering van Romeo en Julia tientallen witte bruidsjurken. Wat blijkt: op zolders liggen nog voldoende bruidsjurken, slechts eenmaal gedragen. Enige probleem is de maat. Van elastiek tot rijgtouw, de acteurs die ze dragen, wisselen druk technieken uit om de trouwkledij weer passend te maken. In juni moet het klaar zijn, dan staan er zes avonden lang tientallen bruiden te zingen in de uiterwaarden.
Het stuk maakt deel uit van het Erfgoedfestival 2018 en heet De rivier, de grens. Het veer tussen Beuningen en Slijk-Ewijk brengt bezoekers heen en weer naar theaterlocaties op beide oevers. De verhalen gaan over de wolf, parlevinker (varende supermarkt), storm en dus over Romeo en Julia. Op de veerstoepen staan gedichten van ene Tim Pardijs waarin de twee kanten van de rivier elkaar een liefdesverklaring toeroepen. Slijk-Ewijk: ik leg op zoek naar jou aan bij iedere naam die aan me voorbij trekt // de ruimte wordt zo groot dat ik los van ieder teken naar de overkant drijf. Beuningen: steek zo stil over dat het water spiegelt en kijk dan voorzichtig om: je schrijft overkant op het draagvlak // ik lees tussen de wolken hoe ik bij je kan komen
 

Verlichten

Tim Pardijs

Ik vraag me af of ik niet zal kijken. In de laatste aflevering van 13 Reasons Why, de serie waarin Hannah uitlegt waarom ze zelfmoord pleegt, werkt het verhaal toe naar de expliciete scene die het high school-verhaal omstreden maakte. Ik overweeg hem door te spoelen. Ik ben bang voor de ochtend dat ik wakker word met de resten van een droom over zo'n donkere scene in míjn leven. Ik blijf echter achterover op de bank zitten en laat de beelden binnen komen. Het snijdt dof in mijn borst, maar een half uur later, als de aflevering af is, voelt het toch alsof er iets opgeklaard is. Hoofdpersoon Clay zit in een rijdende auto met het raam open. Zijn gezicht met littekens staat strak, de wind beweegt zijn haar. Even daarvoor stond hij op de drempel bij de vertrouwenspersoon op school en zei: ‘Het moet beter worden, hoe we elkaar behandelen, hoe we omkijken naar elkaar. Het moet beter worden.’ Vervolgens loopt hij door de gang en spreekt zijn oude jeugdvriendin aan, de vriendin die hij eerst niet meer wilde spreken omdat ze ‘veranderd was’. Hij maakt daarmee dezelfde beweging die een ander personage in de serie maakt: een dochter die haar veeleisende vader een bekentenis doet. Het kan lichter worden, als we door het donker, door het onbekende, durven te gaan. 
 

'Ik bouw daar een huisje voor ons'

Tim Pardijs

‘Dit was een gesprek anders dan andere.’ De stem van verhalenverteller Paul Groos gaat naar beneden, hij praat langzamer, de muziek zwijgt. Hij is op het punt in het verhaal aangekomen waarop wees Henri zijn vriendin Rie vertelt dat hij op reis wil. De twee hebben elkaar leren kennen in kinderdorp Neerbosch. Hij zag haar huilen en troostte haar ‘omdat hij zelf ook veel alleen was geweest en veel had gehuild toen hij nog op straat leefde’. In een hoekje van de schans, het plein van het kinderdorp, bloeit de relatie op: zij zingt een liedje in zijn oor, hij schenkt haar een houten vogel, gemaakt in de timmermanswerkplaats. Bouwen leert hij daar ook, en hij voelt voor het eerst in zijn leven hoe goed het is beschermd te worden door iets wat je zelf hebt gemaakt. Er is een land gebaseerd op dat gevoel en Henri wil erheen, weg uit het arme Nederland, naar Amerika. ‘Ik bouw daar een huisje voor ons.’ 
De voorstelling Ik wil wel naar Amerika, onderdeel van Erfgoedfestival 2018, vertelt het verhaal van Henri en Rie op kalme wijze. Muzikanten van Mytisch met Muziek spelen muziek die de verhaallijn ondersteunt: vrolijk bij succes, treurig bij het afscheid. Henri pakt zijn uitzetkist met daarin gereedschap, kleding en een Bijbel, alleen in. Rie blijft. Maar daarmee is het verhaal nog niet verteld. Kaarten via Van ’t Lindenhout Museum
 

Begrenzen

Tim Pardijs

In het boek Jij bent van mij van Peter Middendorp is een verkrachter en een moordenaar aan het woord. De man heeft zijn misdaad dertien jaar verzwegen en kijkt anderhalve week na zijn arrestatie in de cel terug op zijn leven tot aan de verhoren. Een jongen groeit op op een boerderij, ontmoet een meisje in de dorpsdisco, wordt vader en boer. Het boerenbedrijf en de natuur staan centraal in zijn verhaal, en later zijn vaderschap. ‘Opvoeden is kinderen leren omgaan met de aantrekkingskracht van prikkeldraad’, laat Middendorp zijn personage zeggen. Een typische Middendorp-zin, zoals we dat kennen uit zijn columns: het alledaagse prikkeldraad, beeld van begrenzing, in één beweging van de taal verbinden met het grotere thema opvoeden. 
Waarom hij zelf alle remmen loslaat, een jong meisje te lijf gaat en achterlaat in het weiland, wordt niet uitgelegd, maar daar probeer je als lezer juist daardoor toch achter te komen. Ergens in de weilanden ligt tussen de koeien, de vogels en de wisselende seizoenen het antwoord. Misschien is het de onuitstaanbare afwezigheid, het gevoel niet te bestaan, dat de hoofdpersoon al vroeg in zijn leven krijgt. De misdaad zelf heeft in het boek een kleine plek, maar is daardoor buiten de twee kaften des te aanweziger.
 

Antwoorden

Tim Pardijs

Al tijden stond de afspraak in mijn agenda, we pasten het moment nog een keer aan, dus onverwacht is het vanavond tijd voor mijn interview bij het radioprogramma Over Poëzie en Muziek van dichters Sabine Kars en Mas Papo. Via een zijingang laat Mas me binnen in het dorpshuis, waar in de studio van de lokale omroep het programma opgenomen wordt. Ik geef de technicus en de andere gasten een hand en ga zitten op een kruk. Maanden geleden stuurde ik New York Morning van Elbow door en ineens klinkt het lied in mijn koptelefoon, Mas en Sabine glimlachend tegenover me, ook met koptelefoons op, voor ze op tafel liggen A4’tjes met tijden tot op de seconde.
‘Dertig seconden’, zegt de technicus. Ik lees mijn gekozen songtekst in de verwachting er iets over te moeten zeggen. ‘Tien’. Een rode lamp gaat aan, en ik hoor mijn stem antwoord geven. Eén antwoord, terwijl er bij elke vraag drie mogelijke antwoorden door mijn hoofd gaan. Maar ik praat tenminste. Er is tijd voor een gedicht, meer vragen, nog een gedicht, ik hoor mijn stem niet meer maar kies razendsnel antwoorden terwijl de rode lamp maar brandt. Dan hoor ik ineens een ander lied, zet ik mijn koptelefoon af. Hij is vochtig.

Leren

Tim Pardijs

In een poging te begrijpen hoe Immanuel Kant denkt over de totstandkoming van kennis, sla ik mijn studieboek dicht. Ik schuif de woorden van drie Vlamingen naar de hoek van mijn bureau en draai me om naar de boekenkast. Ik zoek een dik boek met de kleuren turquoise en geel op de rug, vooral die bijzondere kleur blauw is mijn aanknopingspunt. Daar is het: Bekentenissen van een filosoof van Bryan Magee. Een boek voor het eerst gepubliceerd in 1997, het jaar waarin ik eindexamen deed, en dat twee jaar later door zo’n beetje iedereen op mijn opleiding journalistiek gekocht werd. Ik blader naar het hoofdstuk over Kant, begin te lezen en wordt gelijk weer gepakt door Magees soepele vertelstem. Moeiteloos neemt hij me mee de diepte van de argumentatie in. In de kantlijn staan potloodstrepen, er zijn regels onderstreept, delen van opsommingen genummerd. Ik begon over filosofie te lezen toen ik student was, zette enthousiast markeringen, maar werd negentien jaar lang onderbroken door krantenjournalistiek en hypotheken. Nu lees ik verder en wijst mijn jongere zelf met soms vijf, zes keer herhaalde dikke potloodstrepen me de weg.

Schuiven

Tim Pardijs

Een belt in de stiltecoupé. Nee. De woorden vallen uit de zinnen na een avond lang schrijven. Een man belt in de stiltecoupé. In de late trein naar huis wil ik geen harde mannenstem door mijn muziek heen horen. Een liedje dat heet On the train ride home, waarin de zanger vraagt: als ik niet kan krijgen wat ik wil, geef me dan wat ik nodig heb. Het eindigt met geluiden van treinen die over wissels schuiven. Op het perron keek ik op mijn telefoon een video van een man die in zijn verhaal de metafoor van een rijdende trein gebruikt, ondertussen zag ik in de schemer achter mijn schermpje een trein voorbij schuiven. Parallel. Zoals de regenjas van de vrouw die tegen me praatte precies dezelfde kleur geel was als de brandmelder die ik achter haar hoofd aan de muur zag hangen. Haar ogen leken wel minder blauw dan twee weken geleden. Ik sta op en loop weg uit de stiltecoupé naar een ander deel van de trein. In de buurt van een vriendengroep die luidruchtig grappen maakt, laat ik me op een bank zakken. Wat ik soms nodig heb, is dat de dingen kloppen.

Ploegen (3)

Tim Pardijs

Op de verjaardag van mijn vader komt de foto van de trekker opnieuw ter sprake. Mijn ouders lazen de blog waarin ik me afvraag hoe ik me een foto kan herinneren die niet lijkt te bestaan. Uit de donkere berging haalt mijn moeder fotoalbums tevoorschijn, samen graven we door de beelden. We komen een onscherpe foto tegen: ik ben het deze keer die op een trekker zit, een International. Ik ben een jaar en zit bij mijn vader op schoot. Kruiselings lopen witte lijnen over de foto, alsof hij lang opgevouwen is geweest en daarna opengevouwen in dit album is geplakt.
Een paar bladzijden verder zie ik een foto met precies dezelfde compositie en kleuren als in mijn herinnering. Drie mensen staan voor de middelste schuur van de aardappelboerderij van mijn familie, rond een rode McCormic-trekker. Mijn vader zit achter het stuur, een groen petje op zijn hoofd. Hij is volwassen, zijn neef en zijn broer staan aan weerszijden van de trekker. Ook al is hij anders dan ik hem me herinner, ik weet dat dit de foto is. Ik heb er alleen andere mensen in gedacht, en kleuren herinnerd in een tijd waarin er alleen zwartwit foto’s waren. Mijn moeder bladert nog even verder maar ik heb mijn antwoord. Achterin het album zijn nog veel lege bladzijden.
 

Wielrennen

Tim Pardijs

Met een kletterend geluid valt het rood witte bordje van de verkeersregelaar op de grond. Hij bukt, pakt hem op en leunt weer tegen het dranghek in de schaduw van de boom. Tegenover de verkeersregelaar zitten mensen in de zon op een terras bier te drinken. Zondagochtend op een kruispunt in België. Mensen zitten in de berm, leunen tegen muren. Een politieauto stopt. Twee agenten in oranje hesjes stappen uit, maken een praatje met de mensen in het gras en gaan aan de rand van het kruispunt staan. Na een paar minuten lopen ze naar het midden van het kruispunt en sturen ze auto’s van de doorgaande weg af de zijstraatjes in. Er komen nu steeds meer mensen naar het kruispunt. Met zwaailichten aan rijdt een wagen van de regiopolitie voorbij. Uit een zijstraatje komen ineens dertig mensen. Ze dragen helderwitte overhemden, hebben allemaal een geel armbandje om en een gevuld plastic champagneglas in hun hand. Verderop schrijven mensen met snelle bewegingen namen in krijt op het asfalt, een vrouw rent de straat over, trekt een kind aan haar hand mee. De mensen uit het gras staan inmiddels langs de weg, gaan stapje voor stapje verder de weg op, kijken voorovergebogen om elkaar heen de straat af, dan: een auto met rode vlaggen, motoragenten die fluiten en wild gebaren, een windvlaag.

Ploegen (2)

Tim Pardijs

Er is iets aan de hand met de blog Ploegen die ik schreef. Ik schreef hem voor een mogelijke opdrachtgever, maar ik vond hem zo geslaagd dat ik hem op mijn website zette. Toen ik hem voor de eerste keer voorlas, tijdens een poëzieontbijt op een kwekerij, voelde ik een kleine rilling van mijn ruggengraat naar mijn armen trekken, een sensatie die me soms overkomt bij optredens. De luisteraars lieten na de laatste zin hun adem los en glimlachten. Het is een van de meest gelezen stukjes op mijn website de afgelopen weken. Van mijn vader kreeg ik complimenten toen ik het hem liet lezen, en hij voegde eraan toe: ‘Is het zo dat in een column niet alle feiten hoeven te kloppen?’ Het is bijvoorbeeld niet altijd de eerste lentedag dat de buurkinderen mee uit rijden gaan. Later stuurt hij mij een foto op. Alleen de plek waar de trekker staat klopt: op het erf voor de stal. Verder is alles anders. Deze foto is zwartwit en mijn vader staat er alleen op, zittend achter het stuur van de trekker met een witte pet op. De foto in mijn herinnering is een kleurenfoto en naast mijn vader op de trekker, staat zijn vader. Waar komt dat beeld dan vandaan?

Hardlopen

Tim Pardijs

Mijn doel vandaag is 13,2 kilometer te lopen. 14 misschien, denk ik nog als ik over het hobbelige gras van de uiterwaarden ren. Twintig minuten later zit ik op 10 kilometer, zie ik op mijn hardloopapp. Dat valt tegen. Ik haal ergens energie vandaan en loop door. De volgende keer dat ik mijn afstand controleer zit ik nog maar op 10,5 kilometer. Dan op 11. Op 11,5, en zo door, tot 12,5. Ik stop. 12,5 kilometer in een tempo van 6 minuten per kilometer is sneller dan vorige week en een halve kilometer verder, terwijl het een stuk warmer is, houd ik mijzelf voor.
’s Middags lees ik voor mijn filosofietentamen het ontologisch godsargument van Anselmus van Canterbury. Stap voor stap doe ik twee uur over het eerste deel van zijn argument en ik ga verder, begin aan uur drie. In het volgende deel van zijn argument, waarin hij stelt dat er iets denkbaar is waarvan niet denkbaar is dat het niet bestaat, loop ik vast. Ik ga uur vier in. Ik zoek nieuwe bronnen, kijk op de klok (wanneer moet ik koken?) en ik blijf ook tijdens het eten denken aan het ondenkbare. ’s Avonds op de bank kan ik niet stoppen met bewegen. Ik heb een route uitgezet die ik af wil maken.
 

Tasten

Tim Pardijs

In twee avonden De trooster van Esther Gerritsen uitgelezen. Een boek vol prachtige beelden. Ik citeer een klein beeld van pagina 50, als hoofdpersoon Jacob, conciërge in een klooster, voor het eerst een gesprek heeft met retraitegast Henry Loman, met wie hij later bevriend zal raken. Later, want Jacob wil eerst niets weten van de schaamteloze politicus op zoek naar verlossing. ‘Loman tilde zijn hand op en bracht de slak dichter naar zijn gezicht, bestudeerde hem. Hij was zich niet bewust van mijn gewekte interesse, hij staarde naar dat grote beest in zijn hand. Toen tikte hij met zijn wijsvinger tegen een van de voelsprieten, die zich met een klein schokje terugtrok. Zoals hij naar de slak keek, zo keek ik naar hem.’ Jacob raakt slakken liever niet aan, maar Henry lijkt er geen problemen mee te hebben. Als Henry wegloopt doet Jacob iets nieuws (p.52): ‘Ik keek naar de slak, die ik liever niet aanraakte, vond ineens dat ik mezelf moest overwinnen en deed het toch. Taai. Drop, hij voelde als drop. Ik durfde hem niet op te pakken.’
De ontwikkeling van de vriendschap, twee mannen die elkaar aftasten, zit in die kleine slak. Een naaktslak ook nog eens, beeld van kwetsbaarheid, het gevoel dat Henry met zijn aandacht aan Jacob geeft, een lijf zonder huis.
 

Horen

Tim Pardijs

9.50 uur. Ik fiets naar de kerk. Als ik langs een stilstaande zwarte Volkswagen rijd, hoor ik een klein geluid uit de auto komen. Het klinkt alsof een klein deel, een aandrijfas ter grootte van een sleutel, beweegt, en de rest van de motor die beweging tegenhoudt. In de auto zit een vrouw met lang donker haar en een bril gebogen over het stuur.
10.35. De dominee, een man van iets over de vijftig met een kaal hoofd en een stralend witte snor, heeft een duidelijke stem maar ik kan me niet concentreren. Rechts achter mij kraakt de zitting van een houten bank. Ik kijk kort opzij maar zie alleen iemand met zijn voet schommelen, te dichtbij en een te kleine beweging om het krakende geluid te veroorzaken. Het gekraak gaat tien minuten door. Ik kijk nog drie keer, maar zie niet wie het krakende geluid veroorzaakt.
15.30. Thomas Verbogt is langer dan ik me had voorgesteld. Zijn stem klinkt diep, melancholiek en soms wat vermoeid over de kleine zolder van het atelier waar hij een boek presenteert. Als hij een kleine grap maakt, een grap waarbij de uitbundige lach vooral binnengehouden moet worden en zich moet tonen in een glimlach, lacht een vrouw achter mij kakelend hard. 
 

Stofzuigen

Tim Pardijs

Vandaag moet ik boodschappen doen en schoonmaken. Het liefst zou ik eerst schoonmaken en dan boodschappen doen, maar de stofzuigerzak is vol en de juiste rangschikking in het schoonmaken is eerst stofzuigen, dan boenen. En omdat het met een volle stofzuigerzak slecht stofzuigen is, besluit ik tot een alternatieve volgorde: eerst boodschappen doen, in het winkelcentrum stofzuigerzakken halen en daarna thuis schoonmaken. 
In de winkel met huishoudelijke artikelen kan ik de stofzuigerzakken niet vinden. Eerst het rek niet, maar ik vind na enig zoeken een verkoopster die me de plek van het rek wijst. Dan zie ik het juiste type, de 99, niet hangen. Er zijn wel zestien soorten stofzuigerzakken, ze hangen op hangers in vier rijen van vier. Een van de hangers is leeg, zie ik na een tijdje. Daar hangt alleen een kartonnetje, met daarop mijn cijfer. De 99 komt vanmiddag, verzekert de verkoopster me. In de supermarkt hangen ook stofzuigerzakken, ze zijn allemaal ontzettend universeel, beloven de verpakkingen, maar toch hangen er vijf verschillende soorten, met op elke doos lijsten met tientallen merken en typen stofzuigers. Ook hier gaat het om de juiste combinatie. Mijn stofzuiger ken ik niet. Ik ga naar huis en doe eerst even niets.
 

Begraven

Tim Pardijs

Hij aarzelt lang als ik hem vraag waar zijn moeder begraven ligt. Hij kijkt me daarbij even aan, noemt dan uiteindelijk de plek. Hij vertelt verder over de dood van zijn moeder, hoe zijn familie ermee omging, hoe de begrafenis verliep en ik bedenk me ineens dat ik erbij was. Ik was in de zaal tijdens de afscheidsplechtigheid, ik besprak onderweg naar het gat in de grond de preek met een vriend, ik stond achter een heg te kijken hoe de familie keek naar het zakken van de kist (iemand wendde zich af). Ik liep zelfs langs het graf, stond er even stil, zag bultjes zand op hout liggen, liep voor hem langs, keek hem aan en toch koppelden mijn hersenen die gegevens niet aan de man die hier in de stoel naast mij zit en die nu vertelt hoeveel het kost grafrechten voor twintig jaar vast te leggen. Ik begrijp ineens zijn pauze na mijn vraag. Hij vroeg zich natuurlijk af waarom ik die vraag stelde. Twee plekken, begraafplaats en de kamer van een vriend, en twee belevenissen, het begraven en het vertelde verhaal, niet met elkaar kunnen verbinden. De wens er iets over uit te leggen, niet weten hoe.

Ploegen (1)

Tim Pardijs

Mijn vader heeft een trekker. De oude McCormick staat naast zijn hoekhuis in de rustige kinderrijke straat aan de rand van het dorp, in de speciaal hiervoor verlengde carport. Op de grond onder de trekker ligt een stuk karton met zwarte olievlekken. De trekker was denk ik het duurste wat mijn vader ooit voor zichzelf kocht, en daarna bleef hij er geld aan uitgeven want het duurde wel een paar jaar voor het oude apparaat zuiver ronkend en rood glimmend door de woonwijk reed. De kinderen uit de buurt mogen elke eerste lentedag met mijn vader mee voor een ritje. Ze zitten op de spatborden boven de grote achterwielen, in de bochten slaat mijn vader een arm om ze heen. ’s Zomers maait hij gras of ploegt hij akkers voor boeren in de buurt en soms helpt hij zijn neef op de boerderij waar hij zelf opgroeide. Het type McCormick dat mijn vader heeft, was de eerste trekker op het boerenbedrijf van de familie. Mijn vader heeft een foto, gemaakt op de dag van aankoop: hij zit als kleine jongen achter het stuur, zijn vader, de opa die ik nooit heb gekend, staat er rechtop naast. Pas maakten we op een mooie dag een foto van de trekker tijdens een picknick in een weiland: mijn dochter zit achter het stuur, ik zit op het spatbord, mijn vader staat er rechtop naast, zijn arm om mijn dochter heen.

Kennen

Tim Pardijs

De zaal kantelt. Links vooraan staan alle politici in fel licht, rechts staat niemand. Alleen  lampen op statieven met daartussen drie camera’s, verbonden aan vier computers achterin de zaal, voor de verbinding met buiten. Deze openbare onderhandelingen voor een nieuw stadsbestuur worden rechtstreeks uitgezonden via internet. Ik ga zitten en als ik om me heen kijk, zoekt de man die achter me zit oogcontact en zegt opgewekt: ‘Hé buurman!’. Ik herken hem niet en groet gereserveerd terug.
De burgemeester heet iedereen welkom en stelt vragen aan de fractievoorzitters. Ze spreekt ze aan bij hun voornaam. Ik luister oppervlakkig. Ik vraag me af of ik moet weten wie mijn achterbuurman is. Een politicus zegt: ‘De meeste gezichten in deze zaal ken ik wel maar er zijn buiten ook veel mensen, die hun stem niet laten horen.’ De informateur verantwoordelijk voor de frisse blik vertelt trots dat ze slechts drie mensen in de zaal kent. Als het publiek vragen mag stellen, zoekt de gespreksleider ene Mark, die achterin zit. Hij blijkt VVV-directeur te zijn. Als ik me omdraai om naar hem te kijken, kruist mijn blik weer even die van de man die achter me zit. Ik weet nog steeds niet goed wie hij is. 
 

Zeggen

Tim Pardijs

Ik steek mijn hand uit, draai mijn bovenlichaam naar rechts en zoek oogcontact. De man tegenover mij doet hetzelfde, maar in een meer zijwaartse beweging: hij loopt de rij van ons gezelschap af. Zijn hand sluit te vroeg, waardoor onze handen elkaar niet volledig omsluiten en hij alleen in mijn vingers knijpt, die daardoor als rietjes in een bundel tegen elkaar worden gedrukt. We zitten naast elkaar, later tijdens het diner. ‘Wil je dat echt weten?’, vraagt hij lachend als ik hem een vraag stel die al even door mijn hoofd zwierf voor ik hem een plek gaf. Hij geeft antwoord in drie, vier, vijf zinnen, en nog een zesde erbij. Ergens in zijn verhaal gebruikt hij de woorden ‘jullie wereldje’, en kijkt daarbij ook de dichter tegenover me aan. Deze dichter heeft kleine handen met spits toelopende vingertoppen, zag ik toen hij bij de kennismaking de kraag van zijn jasje goed deed. Naast hem zit een stel wiens handen elkaar kort strelen, liggend op tafel, de beweging trekt mijn aandacht als ik hun kant op kijk. Van hun handen gaat mijn blik naar hun ogen, ze kijken ook net naar mij. Ik kijk weg. In een onderonsje met iemand anders vertel ik over de vingers van de dichter. Wat zegt jou dat, vraagt hij.  
 

Staren

Tim Pardijs

Diep gebrom in de straat. Op het kruispunt staat een vrachtwagen met een grote gele tank op de oplegger. ‘Leidinginspectie’ staat er in kapitalen. Een slang loopt van de truck naar de put, waarvan het deksel opzij geschoven is. De slang steekt zo’n twee meter boven de vrachtwagen uit en vormt zo een poort waar onderdoor gelopen en gefietst kan worden. Wat volop gebeurt, het is tien voor half negen, de school staat aan het eind van de straat. Gehuld in het gebrom van zijn vrachtwagen, in een oranje pak met zilveren fluorescerende strepen, staat een man naast de auto. Zijn benen gespreid, zijn handen rusten op de slang, staart hij erlangs naar beneden, de put in. In korte tijd fietsen en lopen kinderen, vrouwen en een enkele man onder de boog van de slang door, sommigen glimlachen of groeten hem. Hij reageert niet maar kijkt naar beneden, alsof hij iets verwacht. Verderop staat een bestelbusje met dezelfde letters, de achterdeuren geopend. In de laadruimte een verzameling kabels, slangen, knoppen en schermen. Op een van de displays beweegt iets, zie ik als ik dichterbij kom. Ik buig me naar het scherm en in zwartwit beweeg ik door de binnenkant van een rioolpijp onder de straat door. Ik weet niet hoe snel het gaat, welke kleuren er zijn en of de buis horizontaal of verticaal loopt. Hij is leeg.